• TABLE OF CONTENTS
HIDE
 Title Page
 Introduction
 Table of Contents
 De staatkundige ontwikkeling in...
 Algemene gegevens
 Appendix






Title: Conferentie Nederland Suriname Nederlandse Antillen.
CITATION THUMBNAILS PAGE IMAGE ZOOMABLE
Full Citation
STANDARD VIEW MARC VIEW
Permanent Link: http://ufdc.ufl.edu/UF00087332/00001
 Material Information
Title: Conferentie Nederland Suriname Nederlandse Antillen.
Physical Description: Book
Language: Dutch (Flemish)
Creator: Conferentie Nederland Suriname Nederlandse Antillen.
Conferentie Nederland-Suriname-Nederlandse Antillen
Publisher: Netherlands Antilles
Publication Date: 1952
 Subjects
Subject: Caribbean   ( lcsh )
Spatial Coverage: Caribbean
 Record Information
Bibliographic ID: UF00087332
Volume ID: VID00001
Source Institution: University of Florida
Holding Location: University of Florida
Rights Management: All rights reserved by the source institution and holding location.
Resource Identifier: aleph - 001478602
oclc - 20923450

Table of Contents
    Title Page
        Page i
        Page ii
    Introduction
        Page iii
        Page iv
    Table of Contents
        Page v
        Page vi
    De staatkundige ontwikkeling in de West
        Page A
        Page A-1
        Page A-2
        Page A-3
        Page A-4
        Page A-5
        Page A-6
        Page A-7
        Page A-8
        Page A-9
        Page A-10
        Page A-11
        Page A-12
        Page A-13
        Page A-14
        Page A-15
        Page A-16
        Page A-17
        Page A-18
        Page A-19
        Page A-20
        Page A-21
        Page A-22
        Page A-23
        Page A-24
        Page A-25
        Page A-26
        Page A-27
        Page A-28
        Page A-29
    Algemene gegevens
        Page B
        Page B-1
        Page B-2
        Page B-3
        Page B-4
        Page B-5
        Page B-6
        Page B-7
        Page B-8
        Page B-9
        Page B-10
        Page B-11
        Page B-12
        Page B-13
        Page B-14
        Page B-15
        Page B-16
        Page B-17
        Page B-18
        Page B-19
        Page B-20
        Page B-21
        Page B-22
        Page B-23
        Page B-24
        Page B-25
        Page B-26
        Page B-27
        Page B-28
        Page B-29
        Page B-30
        Page B-31
        Page B-32
        Page B-33
        Page B-34
        Page B-35
        Page B-36
        Page B-37
        Page B-38
        Page B-39
        Page B-40
        Page B-41
        Page B-42
    Appendix
        Page B-43
        Page B-44
        Page B-45
        Page B-46
        Page B-47
        Page B-48
        Page B-49
        Page B-50
        Page B-51
        Page B-52
        Page B-53
Full Text










1..
t





r-


I. -i
t'





i










i .


'"
.I ..~

1


'S-GRAVENHAGE 1952


6 710 ifrav
- r/ v p


ii

r'


CONFERENTIE


NEDERLAND


S* SURINAME


SNEBERLANDSE ANTILLEN




J ..






1 *
p ?*/


'
(I
k


~Lcr;e~I~4C
Cz~"-3"p
































































































.4I


Vr


I


LI


-I'-


t




; I


~






,+ .. ~. ~-.


n



''











Dit vademecum is door de afdeling Voorlichting van het
Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen samenge-
steld met het oog op de Conferentie Nederland-Suriname-
Nederlandse Antillen te 's-Gravenhage.
Het bevat een verzameling van de voornaamste feiten, die
direct, dan wel met de voorgeschiedenis van deze conferentie
verband houden.
Voorts vermeldt deze samenvatting verschillende wetens-
waardigheden betreffende Nederland, Suriname en de Nederland-
se Antillen.







I N H U D S'O P G AV E
Eerste deel
De staatkundie ontwikkeling in de 'est

Inleiding
Voorbereiding Rijksconferentie
Petities
Parlementaire Commissie
Wijziging Staatsregelingen
Conferentie Nederland-Suriname-Curacao
Grondwetsherziening 1948
De Interimregelingen
Eilandenregeling der NedAntillen
Voorbereiding nieuwe rechtsorde-werkstuk
Tweede Deel
Alejene_ GeevZens

Suriname; geografisch, historisch
"t bevolking
cultureel
economic
welvaartsmogelijkheden en welvaartsplannen
in- en uitvoercijfers
Nederlandse Antillen; geografisch, historisch
i" bevolking
cultureel
it if economic
If in- en uitvoercijfers
Nederland; geografisch, bevolking
scheepvaart en handel
industries
economische en financiele problemen
lanibouw
," tuinbouw
veeteelt
visserij
verkeer
inpolderingen
onderwijs en cultuur
social politiek


FF7-,


pag.
1-2
2
2-3
3
3-4
5-10
11-12
S13-23
24-26
26-29


1-2
2-3
4-5
5-8
8-12
12-13
14-16
16-18
18-19
19-21
21-22
23-24
24-25
25-26
27-50
31-32
52
32-33
33-34
34-36
36
37-40
41-42


V-








(vervolg inhoudsopgave)


Appendix
-------- pag.
Suriname; Gouverneur, Landsregering,
Raad van Advies, Staten. Politieke Par-
tijen. Alg.vert. in Nederland. Gecommit,
teerde. Stichting v.d.ontwikkeling van de
machinale landbouw. Stichting Planbureau.
Dagbladpers. Radio. 43-44


Nederlandse Antillen; Gouverneur. Regeringsraad,
Raa van idvies, Staten. Politieke Partijen.
Gezaghebbers eilandengebieden. Alg.Vert. in
Nederland. Dagbladpers. Radio. 45-46


Nederland; Ministerie, Staatssecretarissen, Raad van
State, Politieke Partijen en samenstelling
parlement. 47-48


Samenstelling delegates en adressen 49-53.




















EERSTE DEEL


De staatkundige ontwikkeling in de West.









De staaItkundige ontwikkeling in de West.

I.
Inleiding.

Hoewel de z.g. "koloniale artikelen" die in hun oude
formulering uit 1848 dateerden reeds in 1922 door de toen
plaats gevonden hebbende herziening uit de Grondwet waren
verdwenen, nam de staat.undige.ontvikkeling van Suriname
en de Nederlandse Antillen toch eerst in 1936 een duidelij-
ke aanvang. Wel had de Grondwetsherziening van 1922 de ge--
legenheid voor deze ontwikkeling geschapen, maar het duurde
nog 14 jaren eer daarvoor, door het van kracht worden der
wet op de staatsregeling van Suriname en die van Curagao,
een practische basis was gelegd.
Daarna echter hebben de staatkundige ontwikkelingen
zich snel voltrokken. Iet feit dat zowel Suriname als de
Nederlandse Antillen ten gevolge van de tweede wereldoorlog
in een geisoleerde positive geraakten en daardoor aan zelf-
standig denken en handelen wonnen, is daarbij ongetwijfeld
een sterke stimulans geweest. Er was een snel groeiend po-
litiek besef, dat zich uitte in een onmiskenbaar verlangen
naar autonomie. Dit werd vooral duidelijk na het bekend wor-
den van de inhoud der radioredevoeringen, welke Hare IMajes-
teit Koningin 'Wilhelrina resp. op 10 Mei 1941 en op 7 Decem-
ber 1942 had gehouden, Gaf de rede van 10 Mei 1941 nog
slechts het voornemeen.te kennen in het gehele Rijk nieuwe
gelegenheid te scheppen om wensen en opvattingen m.b.t, de
structuur van het Koninkrijk ter kennis te brengen, de rede
van 7 December 1942 stelde in uitzicht "een Rijksverband,
waarin Nederland, Indonesie, Suriname en de Nederlandse
Antillen deel zouden hebben, en waarin zij, ieder op zich
zelf, de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid
en steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij
te staan, zouden behartigen".
De eerste der beide redevoeringen (10 Mei 1941) had
inmiddels reeds tot resultaat gehad, dat op 16 Juni d.a.v.
de Indische Landvoogd met Koninklijke machtiging.bij de
opening van de Volksraad een Rijksconferentie aankondigde,
welke -








-2-


welke bijeengeroepen zou worden onmiddellijk nadat de
Nederlandse Regering in Nederland zou zijn teruggekeerd,
In September 1941 schetste deze Regering de taak dezer con-
ferentie als het gezamenlijk opstellen van suggesties
t.a.v. de reconstructive van het Koninkrijk, waarna een
technische .commissie voorstellen zou .cntwerpen, het Opper-
bestuur zijn standpunt zou beialen, de overzeese vertegen-
woordigende lichamen zouden worden gehoord, en tenslotte de
Grondwet en andere wetten door de daartoe bevoegde organ3n
zouden worden gewijzigd.
Op 27 Januari 1942 volgde nog een nadere verklaring
betreffende taak en samenstelling der Rijksconferentie; de
Nederlandse Antillen wezen reeds in 1942, en Suriname in
1944 leden voor deze conferentie aan.
Na de bevrijding van Nederland werd, zo spoedig als
mogelijk bleek, de voorbereiding der Rijksconferentie ter
hand genomen; evenals bij de procedure welke in Neder-
landsch-Indie in 1941 werd gevolgd, werden in 1945 in Ne-
derland, Suriname en de Antillen conmmissies van onderzoek
ingesteld. De commissie in Nederland stond wonder voorzit-
terschap van .Ir.W,H.van Helsdingen; haar in September 1946'
uitgeb-acht verslag bewees, dat ook in Nederland de be-
moeienis der Nederlandse organen met de interne aangelegen-
heden van Suriname en de Antillen te groot werd geacht. De
Surinaamse commissie, wonder leading van Mr.M.de Niet, bood
haar verslag aan op onderschaidenlijk 26 Mei'46,30 Jaieon 6
Nov.'47',Jit ditverslag bleek duidelijk het verlangen naar
een zelfstandig staatlundig bestaan met een aan het volk
verantwoordelijk bestuur, Ook in het door de op de Antillen
wonder voorzitterschap van Dr.W.Ch.de la Try Ellis ingestel-
de commissie ingediende verslag kwam dit verlangen tot uit-
drukking.
De feitelijke loop der gebeurtenissen (Indonesie!)
heeft echter het houden der conferentie in de aanvankelijk
bedoelde vorm beleto Daarom werd tegemoetgekomen aan de
petities die door delegates van de Staten van Suriname zo--
wel als van Curagao op 25 Juni 1946 aan Hare Majeste'it de
Koningin -







-3-


Ioningin werden aangeboden. In de op 23 Juli d.a.v. gehou-
den Troonrede en de Regeringsverklaring van 25 Juli werd
toegezegd dat spoedig een ontwerp voor wijziging der sinds
1936 bestaande staatsregelingen zou worden ingediend, opdat
beide gebiedsdelen reeds zonder wijziging der GrondwTet in
staat zouden zijn "om op nieuwe voet een eigen even, deel-
genootschap in het Koninkrijk en in het bijzonder hun taak
in eigen omgeving ter hand te nemen"'.
In verband hiermee bracht begin 1947 een parlemen-
taire commissie wonder voorzitterschap van het lid der Eerste
Kamer, Mr.Kropman, een bezoek aan Suriname en de Antillen.
In haar verslag, op 11 April 1947 aan de Staten-Generaal
voorgelegd, concludeorde zij dat, ondanks de nog geringe
ontwikkeling der politieke partijen in de West de toegezeg-
de staatkundige hervorming verantwoord most worden geacht.
Deze hervorming zou de partijen noodzaken politieke verant-
woordelijkheid to gaan dragen, hetgeen voor hun vormgeving
en uitgroei een primaire voorwaarde most worden geacht.
Zonder deze voorwaarde zou dusdanige vormgeving en uitgroei
niet mogen worden verwacht. Bovendien bleek de commnissie
er van overtuigd dat, zoals later in de Tweede Kamer nog
eens werd bevestigd, de objective toestand van onvrijheid
waarin de beide gebiedsdelen nog steeds verkeerden, ook
subjectief als onvrijheid werd ervaren, om welke reden voor
de wetgever dan ook inderdaad het ogenblik was gekomen daar
verandering in te brengen.
Zo warden dan, als belangrijke stap op de weg naar het
verlenen van autonomie, op 26 Novomber 1947 bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal de ontwerpen van wet tot wijziging
der Staatsregelingen van Suriname en Curagao ingediend. Zij
beoogden vooral om in afwachting van een eerlang tot stand
te brengen herziening der Grondwet, welke volledige auto--
nomie mogelijk zou maken, de krachten der beide gebieds-
delen voor de vorming van eigen organen en eigen staatkundig
leven vrij te maken.
Dit doel werd in de wetsontwerpen nagestreefd door de
mogelijkheid te openen tot de installing van een College
van -








-4-


van Algemeen Bestuur als voorloper van een ministerieel.
college; door het afschaffen van de benoeming van Statenle-.
den en daarvoor in de plants te stellen de verkiezing van
alle leden van dit college; door uitbreiding van het kies-
recht; door het onttrekken van de landsverordeningen ter
regeling der inwendige aangelegenheden aan de "aanwijzingen
des Ionings"; door het verlenen van de bevoegdheid de be-
groting bij landsverordening vast te stellen; door te be--
palen dat de verplichte krijgsdienst bij landsverordening
zou kunnon worden vastgesteld, en door de aanstelling van
vertegenwoordigers der beide gebiedsdelen in Nederland moge-
lijk te make.
Op deze beide wetsontwerpen werden bij de behandeling
in de Tweede Kamer enige amondementen ingediend welke af-
weken van do in pverleg met de Staten van Suriname on
Curagao ontvorpen voorstellen betreffende de uitbreiding van
het kiesrecht. Deze voorstellen strekten namelijk tot de
invoering van hot algemeen kiesrecht voor mannelijke inge-
zetenen, terwijl aan de Surinaamse en Curagaose landswet--
gover zou worden overgelaton in hoeverre het kiesrecht ook
aan vrouwelijke ingezetenen zou worden vorleend. De inge-
diende arnendementen echter bedoelden de invoering van het
algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen in beide gebieds-
delen; De aldus geamendeerde wetsontworpen werdon z.h.s.
op 17 Maart door de Tweede, en op 20 Mei door de Eerste
Kamer aangenomen. Op 21 Mei 1948 warden zij tot wet ver--
hevep.








-5-


II,
Conferontie Nederland Suriname Curaao.

Uit hetgeen in de inleiding reeds over de oorzaken van
de wijziging der Staatsregelingen van Suriname en CuraTao
werd gezegd, blijkt dat zij slechts een phase betekende in
de staatkundige ontwikkeling dezer beide gebiedsdelen. Zij
was ten rechte niet meer dan een soort noodregeling, en dit
wees in de richting van verdere stappen. Bovendien was in-
middels in Indonesie de overeenkomst van Linggadjati tot
stand gekomen waarbij in artikel 6 dezer overeenkomst de
Unie-gedachte was vastgelegd met welke gedachte samenhing
een afzonderlijke structuur voor Nederland, Suriname en
CuraCao, Dit alles tezamen vormde de aanleiding voor het
bijeenroepen van een conferentie tussen Noderland, Suriname
en Curagao. Hierover werd reeds medio 1947 overleg met de
gouverneurs van Suriname en Curagao gepleegd, terwijl de
Staten dezer gebiedsdolen officieus werden gepolst.
De Nederlandse Regering maakte vervolgens in haar ant-
woord in eerste termijn op de discussies over de Regerings-
verklaring van 10 Juli 1947 waarin de moeilijkheden wer-
den besproken die de uitvoering van het accord van Ling-
gadjati vertraagden haar voornemon bekend tot het houd ni
van een v66r-conferentie tussen Nederland, Suriname en
Cura9ao, om aldus tot op zekere hoogte te voldoen aan de
behoefte welke aan een Ronde Tafel Conferentie bestond.
Op 13 Augustus d.a,v. werd een verklaring gopubliceord
waarin de Regering dit voornemen "een conferentie bijeen te
roepen van vertegenwoordigers van Suriname, de Nederlandse
Antillen en Nederland, teneinde gezamenlijk overleg te
plegon over de verhouding tusson deze staatsdelen in Amerika
en Nederland in het bijzonder" nadero bekendheid gaf. Op
12 September werd te 's-Gravenhage een kleine commissie in-
gestold die tot taak had alle voorbereidingen te treffen
die nodig warren om de Conferentie op korte termijn bijeen
te kunnen roopen. Deze commissie van voorbereiding stond
wonder voorzitterschap van Prof. Mr. R.Kranenburg, voorzit-
ter van de Eerste Kamer, on telde de navolgende leden:

Dr.A..W7,J Fr.Dcsertine -









-6-


Dr.AW,J JN,Desertine, voorzitter der Staten van Curagao;
DroM.F.da Costa Gomez, vertegenwoordiger van.Curagao en
lid der Staten van Curagao; Mr.W.Hvan Helsdingen, Raad-
adviseur van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen;
H.K.AKleine, Gouvernementssecretaris van Suriname, en
FII.R.Lim Apo, oud-voorzitter der Staten van Suriname. Als
secretaries werd aangelrezen M!r.Th.Bot en Mej.Mr.PSpits.
De commissie bleel: van oordeel, dat boven de, reeds in
de inleiding aangegeven, enigszins omslachtige procedure,
zoals in September 1941 door de Nederlandse Regering te
Londen geschetst, de voorkeur diende te worden gegeven aan
een werkwijze waarbij de Conferentie eerst de richtlijnen
zou aangeven welke zij bij de vorming van het nieuwe staats-
bestel gevolgd zou wensen te zien, terwijl vervolgens een
redactie-commissie van deze constructie een ontwerp zou
opstellen., De conferentie zou dan over dat ontwerp kunnen
beraadslagen en het eventueel kunnen vastleggen, opdat het
zo spoedig mogelijk in de vereiste vorm zou kunnen worden
vastgesteld,
Wat de beraadslagingen betreft werd ter beoordeling
van een vruchtbare gedachtenwisseling een schema opgesteld,
waarvoor de gegevens goeddeels werden geput uit de ver-
slagen der cornnissies van onderzoek, en van de parlemen-
taire commissie die hiervoor reeds in de Inleiding werden
genoemd, zomede uit een verzameling van ambtelijke adviezen
die gepubliceerd werd in deel II van De plaats van Neder-
landsch--Indie in het Koninkrijk "o
Het schema noemde als .eerste punt de noodzaak van een
principiele uitspraak der conferentie inzake een al dan
niet samengaan van Nederland, Suriname en de Antillen vol--
gens het beginsel, vastgelegd in artikel 6 van de overeen-
komst van Linggadjati, dus een samengaan in een Koninkrijk
nieuwe stijl dat t.z.t. met Indonesie in een Nederlands-
Indonesische Unie zou worden verbonden. Het zij hierbij
opgemerkt, dat volgens lid 2 van genoemd artikel dit be-
ginsel de mogelijkheid tot nadere (andere) regeling der
verhouding Uusen Nederland, Suriname en Curagao onverkort

-- liet. -








-7-


liet. Bovendien maakte dit artikel een einde aan de gedach--
te welke werd uitgesproken in de Koninklijke rede van 7
December 1942, n.l. die der vorming van een vierdelig ver-
band, waar tegen overwegende practische bezwaren bestonden.
Voorts zou, volgens het schema, de conferentie zich
dienen uit te spreken over het aantal Rijksdelen in West-
Indie, waarvoor verschillende mogelijkheden denkbaar waren.
Ook over de vorm der verhouding tussen Nederland,
Suriname en de Antillen zou beraadslaagd moeten worden, en
het schema gaf een uitvoerig overzicht van de uiteenlopende
wensen en verlangens die t.d.a. tot uitdrukking zijn ge--
komen, zomede van de mogelijkheden welke t.a.v. deze vorm
openstaan, variirende van het meest losse verband (vriend-
schapsverdrag) totdat van de nauwste samenhang.
De economisch-financiele.aspecten dezer verschillende
mogelijkheden dienden eveneens in beschouwing te worden ge-
nomen; staatkundige zelfstandigheid hangt met zelfstandig--
heid op financieel en economisch gebied ten nauwste samen.
Daarbij zou-vooral aandacht moeten worden besteed aan de
positive die de West-Indische gebiedsdelen in het Caraibische
gebied zouden gaan innemen; gevaar voor isolatie, voort-
komende uit de politieke hervormingen die in dit gebied
plaats vinden zou zo veel mogelijk voorkomen dienen te wor-
den.
Tenslotte behoefde het volgens het eenparig oordeel
der Commissie van Voorbereiding geen uitvoerig betoog dat
ongeacht de formulering waartoe de conferentie m.b.t. de
meest doeltreffende vorm der staatlundige betrekkingen tus-
sen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen zou
komen, de in de voorbije period historisch gewortelde cul-
turele verbondenheid in een op nieuwe leest geschoeide in-
tensieve culturele samenwerking zal behoren te worden voort-
gezet. Immers, het op te trekken staatkundig bouwwerk zal
waarde en inhoud vooral ontlenen aan de mate waarin de
daarin verenigde krachten op eoonomisch, social en cultu-
reel gebied zullen samenwerken. Daarbij rust op Nederland,
dat voor de bestaande toestand verantwoordelijk is, de

Splicht -








-8-


plicht tot het verstrekken van die culturele en social
bijstand welke onmisbaar is als complement op de te ver-
lenen politieke zelfstandigheid, De geographische ligging
van Nederland maakt dit land daarbij uitermate geschikt
voor het verstrekken van bijstand als bemiddelaar tussen de
West-Europese beschaving en die van het westelijk halfrond,
terwijl verwacht mag worden dat de zelfwerkzaamheid der
politieke zelfstandigheid van Suriname en de Antillen col
voor Nederland bevruchtend zal werken.


Het Koninklijk besluit betreffende het houden van de
Conferentie gaf een omschrijving van haar doel, en wel in
de uitnodiging om "de beginselen te formuleren voor de wen-
selijk geachte hervormingen in de tussen Suriname, Curapao
en Nederland bestaande staatkundige betrekkingen als deel
van de staatkundige herbouw van het gehele Konincrijk", en
"deze beginselen uit te werken in een of meer ontwerpen tot
nadere regeling van de verhouding tussen deze staatsdelen
en tot verwezenlijking van de nieuwe rechtsorde".
Als vertegenwoordigers van Nederland werden op voor-
dracht van de Ministerraad benoemd: Ir.J.W.Alberda; Prof.
Dr.J.R.M.van den Brink; J.C.Heldring; DrW.LP.M.de Kort;
Prof.DrJ.H.A.Logemann; H,J.WA.Meyerink; Prof.MCr.C.PM.
Romme; Mr,D.UoStikker; H.W.Tilanus; Mr.A.M.Joekes; Mevr.
Dr.E.F.Verkade-Cartier van Dissel en Mr.G.C.JJ.Kropman.
Door de Staten van Suriname werden als vertegenwoor-
digers van dat gebiedsdeel aangewezen: Mr,Dr.J.A.E,Buiskool;
Salikin M,Hardjo; A-Karamat Ali; J.P.Kaulesar Sukul; Mr.
F.H.R.Lim Apo; J.A.de Miranda; Mr.Dr.R.HPos en P.Wijngaar-
de.
De Staten der Nederlandse Antillen wezen aan: A.Curiel;
C.A.Eman; L.D,Gerharts; Dr,M,F.da Costa Gomez; J.E.Yraus-
quin; E.Jonckheer; Mr.S.W.Vvan der Meer en W.R.Plantz.
Als voorzitter der Conferentie werd benoemd de Minis-
ter van Overzeese Gebiedsdelen, die een raadgevende stem
bezat en als, plaatsvervangend voorzitter Mr.W.H.van Hels-
dingen. De voorzitter werd bijgestaan door drie advisers,

eveneens -







-9-


eveneens met raadgevende stem, n.l. J.A.Drielsma; Dr.W.Ch.
de la Try Ellis en Mr.V.H.van Helsdingen. In het belang
der Conferentie konden nog andere advisers worden aange-
trokken, terwijl waarnemers uit Inaonesie werden uitgenodigd
de Conferentie bij te wonen.
Het secretariaat-generaal stond wonder leading van
Mr.Th.H.Bot, die als secretaris-generaal optrad. Secreta-
rissen waren Mr.J.W.Ellis; Mr.W.Ezechiels; Mr.Raden Projogo
en Mej.Mr.P.F.Spits, zomede voor publiciteitsaangelegen-
heden de heer E.W.Ostreig.
De opening der Conferentie vond plaats op Dinsdag 27
January 1948 met een plenaire ipenbare sitting in de ver-
gaderzaal van de Eerste Kamer. Bij die gelegenheid werd het
woord gevoerd door de Minister-President, Dr.L,J.M.Beel,
die een overzicht gaf van de ontwikkelingen welke aan deze
Conferentie vooraf warren gegaan, en in grote lijnen de taak
schetste welke haar wachtte. Deoe rede werd beantwoord door
de Conferentievoorzitter, de Minister van Overzeese Ge-
biedsdelen, Mr.J..A.Jonkman, waarop de Conferentie zich in
haar eerste besloten vergadering begaf.
De arbeid der Conferentie werd georganiseerd door de
te behandelen onderwerpen in gedeelten toe te wijzen aan de
drie secties, waarin de Conferentie zich had gesplitst. Uit
de resultaten van de behandeling door deze secties werden
central rapporten samengesteld, die in openbare vergade-
ringen werden besproken.
Het eerste central rapport, dat de algemene beschou-
wingen bevatte, werd in de openbare plenaire vergaderingen
van 16 en 17 Februari behandeld. Het tweede betrof de bij-
zondere onderwerpen; het werd besproken ter gelegenheid
van de openbare vergadering op 18 Maart. In die vergadering:,
de laatste der Conferentie, werden tevens 17 resoluties en
2 moties aangenomen, waarin het resultaat der besprekingen
belichaamd was,
In deze resolutiLs sprak men zich o.a. uit voor de
omzetting der bestaande verhouding tussen Nederland,
Suriname en Curagao in een nieuwe staatsorde waarin deze
landen -








-10-


landen worden verenigd in een nieuw Koninkrijk wonder Hare
Majesteit Koningin Wilhelmina en IIaar wettige opvolgers in
de Kroon der Nederlanden. De staatkundige bouw van dat.
Koninkrijk zou, volgens de derde resolutie, in een rijks-
grondwet worden belichaamd.
Besloten werd, dat dit denkbeeld van een rijksgrondwet
verder door een redactiecommissie zou worden uitgewerkt.
Met inachtneming van de door de Conferentie terzake aan-
vaarde beginselen heeft een aan deze redactiecommissie toe-
gevoegde kerncommissie wonder voorzitterschap van Prof.Dr.
J.H.A,Logemann reeds in October 1948 een voorontwerp-rijks-
grondwet voltooid, dat door de central sectie der Confe-
rentie ter kennisname aan de Nederlandse Regering werd aan-
geboden. Naar later bleek achtte de Regering dit vooront-
werp "wel wat zwaar". Zij gaf de voorkeur aan een lichtere
regeling, en een eigen ontwverp werd in de vorm van een
schets van een statuut in Februari 1950 naar Suriname en
de Nederlandse Antillen verzonden opdat dit daar, evenals
in Nederland, in beschouwing zou kunnen worden genomen. Men
hoopte op die wijze,'wanneer de Conferentie weer bijeen zou
komen, de beschikking over een vruchtbaar werkobject te
zullen hebben.
Tot nog toe. echter bleef 18 Maart 1948, de dag waar-
op de 17 resoluties en de beide moties werden aanvaard, de
laatste zittingsdag der Conferentie.
Nadat de Grondwetsherziening van 1948 tot stand was
gekomen waarover het volgende hoofdstuk handelt werd
namelijk besloten aan de definitive regeling van de staats-
rechtelijke band tussen Nederland, Suriname en de Nederland-
se Antillen te doen voorafgaan de toekenning van autonomie
aan de beide rijksdelen in de West door middel van een
interimregeling.
Het oorspronkelijke plan om de conferentie in de loop
van 1950 weer bijeen te roepen kon niet worden uitgevoerd in
verband met het feit dat de Interim-regeling voor de Neder-
landse Antillen eerst op 7 Februari van kracht werd.

3 !) Pit Weird chrovon bind "art 195.10









III.

GRONIWETSHERZIENING 1948 INTERI1MREGELING-EN

In September '48, dus nog tijdens de werkzaarrheden van
de re'dactiecommjissie waarven in het vorige hoofdstuk sprake
was, werd in tweede lez-i.g een gro'-.etGherZiening aange-
nomen. di.! cen nieu;: veertiende .- hoofdstuk bracht waar--
in betreffende de overgang naar een nieuwe rechtsorde voor
Nederland, Indonesie, Suriname en de Nederlandse Antillen
bijzondere bepalingen waren opgenomen.
Deze grondwetswijziging had in de eerste en voornaamn--
ste plaats haar ontstaan gevonden in de ontwikkeling der
Indonesische kwestie, maar niettemin betekende zij een le--
galisering van datgene, wat t.a.v. de staatkundige reorga-
nisatie van het Koninkrijk der Nederlanden ter gelegenheid
van de Conferentie Nederland-Suriname-Curagao was overeen-.
gekomen. De vorming ener nieuwe rechtsorde was wettelijk
mogelijk geworden. Want volgens artikel 208, het eerste ar-
tikel van het nieuwe veertiende hoofdstuk, iou "op de
grondslag van de uitkomst van het reeds gepleegde en nog
te plegen gemeen overleg met en tussen vertegenwoordigers
van bevolkingen, een nieuwe rechtsorde worden gevestigd,
waarbinnen deze gebieden de eigen belangen zelistandig be--
hartigen en op voet van gelijkavaardigheid zijn verbonden
tot verzorging van de geraeenschappelijke belangen en tot
wederkerige bijstand, een en ander wonder waarborgen voor de
reohtszekerheid, de fundamientele menselijke rechten en vrij..
heden, en deugdelijk bestuur".
Artikel 209 behandelt datgene, wat reeds als uitkomst
van gepleegd overleg bij de voorbereiding en de vestiging
van de nieuwe rechtsorde in acht dient te worden genomen,
nartelijk de vorming ener Tiie, --aarvan de Kroon zal worden
gedragen door het Huis van Oranje,' -et als deelnemers twee
gelijkwaardige Staten, namelijk het Koninkrijk der Neder,
landen (gevormd door Nederland, Suriname en de hederlandse
Antillen) en-de Verenigde Staten van Indonesie. Daarbij was
opengelaten de mogelijkheid dat, indien de uitkomst van
het --








12 -
het voortgezette overleg daartoe zou leiden, m.b.t. de Unie
Nederland in de plaats treedt van het Koninkrijk.
Artikel 210 stelt vast dat, wanneer de overgang naar
de nieuwe rechtsorde voorzieningen vordert die afwijken van
de bepalingen der hiervoor reeds genoemde hoofdstukken, de-
ze voorzieningen bij wet worden getroffen; het ontwerp van
zodanige wet kan echter slechts worden aangenomen met ten-
minste tweederde deel der uitgebrachte stemmen.
Tenslotte bepaald dan artikel 211, het laatste van
het nieuwe veertien.e hoofdstuk, dat de nieuwe rechtorde
tot stand komt door vrijwillige aanvaarding langs democra-
tische weg in elk der genoemde gebieden. Dit is volgens de
Regering, voor Suriname en de Nederlandse Antillen aldus
te verstaan, dat de aanvaarding analog dient te zijn aan
die in Nederland; zij dient te geschieden bij landsverorde-
ning die met tenminste tweederde der uitgebrachte stemmen
moet worden aangenomen.

Bij de doorvoering van deze grondwetsherziening was de
situatie zodanig, dat een definitive regeling van de staats-
rechtelijke band tussen Nederland en de beide gebiedsdelen
in de West nog niet kon plaats vinden. Dit zou eerst moge-
lijk zijn wanneer de positive van het Koninkrijk en van zijn
delen in het Unieverband vast zou staan. Teneinde nu in
afwachting daarvan Suriname en de Nederlandse Antillen toch
een autonome status te kunnen geven, werd gebruik gemaakt
van de door Artikel 210 geboden mogelijkheid om ter bevor-
dering van de overgang naar de nieuwe rechtsorde bepaalds
voorzieningen te treffen. Deze voorzieningen bestonden uit
regelingen met een voorlopig, een interimair karakter; zij
worden dan ook interim-regelingen genoemd. Niettemin werd
er naar gestreefd in deze regelingen uitdrukking te geven
aan de toekomstige nieuwe rechtsorde, zodat zij voor wat
verschillende belangrijke bepalingen betreft van duurzame
aard zullen blijken te zijn.
----------~-----------








- 13 -


IV

DE INHOUD DER INTEJRIMEGELINGEN,

Voor de beide gebiedsdelen in de West zou de nieuwe rechts-
orde (zie hoofdstuk III) zich dus gaan kenmerken door twee be-
langrijke punten:
1. de zelfstandige behartiging van de eigen belangen, dus auto-
nomie, en
2. de behartiging der gemeenschappelijke belangen in verbonden-
heid op voet van gelijkwaardigheid.
Van deze beginselen kon het eerste punt, de autonomie,
dank zij Artikel 210 der herziene Grondwet, in de Interimrege-
lingen reeds onmiddellijk volledig worden verwezenlijkt, Het
tweedy punt, het deelnemen aan de behartiging der gemeenschappe-
lijke belangen kon, mede in verband met de toen nog uit de In-
donesische kwestie voortvloeiende cncpgel.ste vraagstukken,
vooralsnog niet geheel tot zijn recht komen.
Toch omvatten de regelingen dienaangaande een aantal be-
langrijke bepalingen. Zo worden de door de landsregeringen van
Suriname on do Nodorlandse Antillen benoemde Algemene Vertegen-
wocrdigers die de plaats innamen van de vertegenwoordigers,
benoemd uit hoofde van de wijziging der staatsregelingen in
'48 in staat gesteld met raadgevende stem deel te nemen aan
het ministerieel overleg voor zover daarbij de gebiedsdelen in
de West betrokken zijn. Voorts kan de Koning, na overleg met
deze landsregeringen, voor ieder dezer gebieden een staatsraad
in buitengewone dienst benoemen. Deze zouden dan gelegenheid
hebben aan de arbeid van de Raad van State deel te nemen in
alle gevallen waarin dit lichaam wordt gehocrd over zaken waar-
bij deze gebiedsdelen belang hebben. Bovendien stelt de Koning
de landsregeringen in de gelegenheid te adviseren nopens elk
ontwerp van een voor Suriname en de Nederlandse Antillen ver-
bindende wet, of algemene maatregel van bestuur, waarbij de
landsregeringen desgewenst de Staten kunnen raadplegen. Ten aan-
zien van verdragen en andere overeenkomsten met vreemde mogend-
heden of international organisaties bevatten de regelingen
eveneens dergelijke bepYn~re.n.
Hoewel -









- 14 -


Hoewel er dus naar is gestreefd de materie der behart.gigg
van gemeenschappelijke belangen te regelen voor over de situa-
tie dit in die period taeliet, ligt het zwaartepunt der rege-
lingen toch nadrukkelijk in het eerste punt: de zelfstandige
behartiging der eigeni belangen. doi. de autnnomie. Suriname en
de Nederlandse Antillen verzorgni krachtens deze regelingen
zelf hun inwendige aangelegenheden. Zij doen dit met inachtne-
ming van de wettelijke bepalingen, doch deze bepalingen zijn
niet bedoeld om de autonoiie te beperken, maar om haar te rege-
len, en om de Nederlandse inmenging in.zaken die specifiek Su-
rinaams of Antillaans zijn, uit te sluiten.
Wat niet tot deze zaken behoort, en dus niet als inwendi-
ge aangelegenheid kan worden beschouwd, wordt in Artikel II om-
schreven.
Dit zijn:
a. al hetgeen betreft het handhaven van de onafhanke-
lijkheid en de'verdediging van het Koninkrijk en de
verzekering als bedoeld in artikel 208 van de Grond-
wet;
b. al hetgeen betreft de verdragen en andere overeenk-m-
sten met vreemde mogendheden en international orga-
nisaties gesloten, en de uit het volkenreoht voort-
vloeiende rechten ni verplichtingen in het algemeen;
c. de regeling van het auteursrecht en de industriele
eigendom;
d. de regeling op het stuk van maten en gewichten;
e. het stellen van algemene voorwaarden voor de uitgif-
te van zeebrieven;
f. al hetgeen betreft de luchtvaart, met uitzondering
van het verlenen van vergunningen tot de exploitatie
van binnenlandse luchtlijnen;
g. de bevordering van de culturele en social betrekkin-
gen tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse An-
tillen;
h. het toezicht :.'p de algemene voorwaarden betreffende
de toelating, vestiging en uitzetting van Nederlanders-
(Hierbij dient te worden aangetekend dat voor wat de Nederlarn-
se -








- 15 -


se Antillen betreft, dit toezicht wordt uitgeeefend met inacht-
neming van de bevoegdheid der Nederlandse Antillen zodanige re-
gelingen te treffen als nodig zijn ter bescherming van het alge-
meen belang van dat land, "'p dit punt is er tussen de beide
Interimregelingen dus verschil.)
i, de bevordering van en het toezicht op de economische
en financiele betrekkingen tussen Nederland, Suriname
en de Nederlandse Antillen;
Sj, het overleg omtrent vraagst'Dken van international
karakter inzake munt- en geldwezen, bank- en devie-
zen politiek;
:. het toezicht op international en interregionaal ver-
\ keer;
l1 de bevordering van de ec-nomische weerbaarheid door
\onderlinge hulp en bijstand van Nederland, Suriname
e\o de Nederlandse Antillen, wonder waarborg dat wette-
li~ke regelingen ten aanzien van beroeps- en bedrijfs-
uitioefening voor Nederlandse onderdanen gelijkelijk
gelden.
(0ok cp dit punt wijken de beide Interimregelingen van elkaar
af, Voor wat betreft de Nederlandse Antillen geldt hierbij na-
melijk dezelfda beperking als bij punt h.)
COmtrent ieze in vorenstaande punten vermelde zaken kunnen
bij of('kracAtens de wet regelingen worden vastgesteld,. De uitga-
ven die uit deze regelingen voortvloeien, kunnen, althans indien
Suriname en de Nederlandse Antillen daartegen bezwaar hebben,
niet andersdan bij wet ten last dezer gebiedsdelen worden ge-
bracht. Dat kan-echter slechts geschieden na gepleegd overleg,
en indien deze uitgaven de financiele draagkracht van hot betrsk-
ken gebiedsdeel riet te boven gaan. Voorts kan de regeling, of
nadere regeling, van niet-inwendige aangelegenheden bij of krach-
tens de wet worden\opgedragen of overgelaten aan de landsorganen
dezer gebiedsdelen,\
Van de gelegenr-eid, reds in de Interimregelingen de moge-
lijkheid te openen d gebiedsde1en in de -West in de belde Kamers
der Staten-Generaal do.r gedelegeerden te doen vertegenw':ordigen,
S werd -









- 16 --


werd slechts door de NTederlandse Antillen gebruik gemaakt.
Ten hoogste drie gedelegeerden van dit gebiedsdeel worden
in de gelegenheid g-steld in de Kamers de openbare beraadsla-_
girgbij te won,-,; over elk cnderverp van een vo r de Nederlandse
Antillen verbindende wet of over andere aangelegenheden waarbij
dit gebiedsdeel is betrokken. terwijl zij daarbij terzake monde-
linge voorlicbhtng ullen kunnen geven. Bovendien heeft de In-
terimregeling ook de mogelijkhneid geopend vo-r aanwijzing ad
hoc, zodat bij de behandeling van bepaalde onderwerpen de gede-
legeerden door bijzondere gedelegeerden vervangen kl..nen worden
Met het voorgaande, t.w. de zelfstandige behartiging der
eigen belangen, de reeling ter behartiging van gemeenschappe-
lijke belangen en de opsomming der niet-inwendige aangelegen--
heden is een overzicht gegeven van de inhoud der Interimrege--
lingen, voor zover deze niet de Landsregelingen betreft- Dit
belangrijke onderdeel der Interimregelingen, dat voor de Staats-
regelingen in de plaats trad, vindt hierna behandeling.


Zijn in het reeds behandelde deel der beide Interimregelin-
gen geen grote verschillen ten aanzien van Suriname en de Ned.
Antillen te constateren, het deel dat door de Landsregelingen
words gevormd geo-ft, voornamelijk door de noodzaak van aanpas
sing bij de locale :"mstandigheden, wel duidelijk verschillen te
zion, ook al zijn zij in vele opzichten gelijkluidend.
Dit laatste geldt bov, voor het gehele tweede hoofdstuk
waarin de positive van de Gouverneurs wordt geregeld. Het karak-
ter dezer positive onderging belangrijke wijzigingen. Reeds moes-
ten de Gouverneurs door de wijziging der Staatsregelingen i.
1948 het bestuur uitoefenen met medewerking der Colleges van Al-
gemeen Bestuur, maar volgens artikel 62 der G.rondwet bleven zij
toen nog uitsluitend verantwoordelijk can de Koning.De Grondwets-
wijziging van 1948 echter bracht voor de Rijksdelen in de West
de mogelijkheid af te wijken van bestaande Gr:-ndwetsartikelen
en mitsdien besturen in te stellen die aan de -olksvertegenwoor-
digingen dezer Rijksdelen verantwoordelijk zijn. En ook nu tre-
den de Gouverneurs nog wel steeds op als vertegenwo-ordigers des
Konings, maar zij hebben als zodanig tweeorlei taak gekregen,
Zij -








- 17 -


Zij zijn namelijk hoofd der aan de volksvertegenwoordigingen
verantwoordelijke landsregeringen, en zij zijn teens orgaan van
het Koninkrijk.
In eerstgenoemde positive representeren zij de Koning, die
het bestuur over de inwendige aangelegenheden niet meer wonder
verantwoordelijkheid der Nederlandse ministers uitoefent, doch
wonder die der landsregeringen.
Als orgaan van het Konilnkrijk zijn de Gouverneurs uitslui-
tend bevoegdheden toegekend ten aanzien van Koninkrijks belan-
gen. Slechts voor de werkzaamheden die hiermee verband houden
hebben zij nog 's-Konings aanwijzingen in acht te nemen. Deze
werkzaamheden zijn: het waken over het alg:meen belang van het
Koninkrijk, de afkondiging, de uitvoering en de zorg voor de
naleving van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ver-
dragen, zomede het niet-vaststellen van landsverordeningen en
landsbesluiten, die in strijd zijn met hogere voorzieningen of
met het algemeen belang van het Koninkrijk. Hij heeft als zoda-
nig het opperbevel over de hem ter beschikking gestelde krijgs-
macht.


Cok het derde hoofdstuk der beide Landsregelingen is, be-
houdens een enkele uitzondering, gelijkluidend. Dit hoofdstua:
regelt samenstelling en positive van de Raden van Advies en de
Regeringsraden (deze laatste zijn de Colleges van Algemeen Be-
stuur die in '48 door de wijziging der Staatsregelingen konden
worden ingesteld).
De Raden van Advies bestaan uit tenminste vijf leden, die
door de Gouverneurs worden benoemd. Deze Raden worden door de
Gouverneurs gehoord over:
le. alle ontwerpen van landsverordeningen die de Gouver-
neurs aan de goedkeuring der Staten willen onderwerpen,
of die de Staten aan de Gouverneurs ter vaststelling
hebben aangeboden;
2e. alle ontwerpen van wetten, van algemene maatregelen
van bestuur en.van verdragen of andere overeenkomsten
met vreemde mogendheden en international organisaties
gesloten, waaromtrent de Landsregering wordt gehoord;

3e. -







- 18 -


3e, alle ontwerpen van landsbesluiten houdende algemone
maatregelen die de Gouverneur wil uitvaardigen;
4e. alle aangelegenheden, waaromtrent dit is voorgeschre-
ven bij deze wet of andere algemene verordening.
5e. alle buitengewone gevallen van gewichtige aard;
6e. alle andere zaken waaromtrent de Gouverneur het gevoe-
len van de Raad went te kennen.
Buitendien zijn de Raden bevoegd de Gouverneurs eigener
beweging van advises te dienen in de gevallen, waarin zij dat in
het belang van het Koninkrijk of van het betrokken gebiedsdeel
geraden oordelen.
Dit zelfde hoofdstuk regelt ook de samenstelling der Rege-
ringsraden de nieuwe beaming voor de Colleges van Algemeen
Bestuur. Deze Regeringsraden vormen, tezamen met de Gouverneurs
de landsregeringen van Suriname en de Nederlandse Antillen,
Zij bestaan uit ten hoogste zeven personen, tenzij bij lands-
verordening anders wordt bepaald.
In de Landsregeling der Nederlandse Antillen zijn betref-
fende de Regeringsraad nog enkele bepalingen opgenomen, die in
de Surinaamse regeling niet voorkomen. De benoeming van de le-
den van de Regeringsraad b.v. geschiedt "na overleg met de
Staten, de Raad van Advies gehoord". (In Suriname worden de le-
den "landsministers" genoemd). Verder wordt de Algemene Verte-
genwoordiger, indien hij in de Nederlandse Antillen aanwezig
is, in de gelegenheid gesteld de beraadslagingen van de Rege-
ringsraad t.a.v. onderwerpen die tot zijn bemoeienis behoren,
bij te wonen. Voorts zijn in een apart artikel een aantal bepa-
lingen opgenomen die voor de lede. der Antilliaanse Regerings-
raad de benoemingsperiode vastleggen, zomede de redenen die tot
tussentijds ontslag kunnen leiden.


Het vierde hoofdstuk der Landsregelingen bepaalt de samen-
stelling der Staten van beide gebiedsdelen. Voor Suriname be-
draagt het aantal leden 21; voor de Nederlandse Antillen 22.
Voor de verkiezingen is Suriname verdeeld in kieskringen,
terwijl op de Antillen do vier eilandgebieden Curaao, Aruba,
Bonaire en de Bovenwindse eilanden ieder een kieskring vormen.
Het -








- 19 -


Het eilandgebied Aruba verkiest 8 leden, Bonaire 1 lid, de Bo-
venwindse eilanden 1 lid en Curagao 12 leden. In eilandgebieden
die meer dan een lid verkiezen, geschiedt de verkiezing op
grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
Suriname kan, voor zover in sommige kieskringen recht-
streekse verkiezingen niet mogelijk zijn, een stelsel van kies-
mannen uitwerken.
In de bepalingen omtrent zittingen en vergaderingen tonen
de beide Landsregelingen slechts verschillen van ondergeschik-
te aard; de macht der Staten is voor beid'e gebiedsdelen gelijk.
Zij oefenen, zoals hiervoor reeds aangeroerd, gezamenlijk met
de Gouverneurs de wetgevende macht uit, en zij beschikken daar-
bij over het recht van wijziging van landsverordeningen, het
recht van voorstellen van landsverordeningen, het voorstaan van
de belangen der gebiedsdelen bij de Koning, de Staten-Generaal
en de Gouverneur, en het recht van enqutte.
De vaststelling der begroting geschiedt voor beide gebieds-
delen op dezelfde wijze, nl. bij landsverordening.


Het vijfde hoofdstuk der Surinaamse Landsregeling bevat
bepalingen omtrent de bestuursindeling en installing van zelf-
standige gemeenschappe4, hetgeen bij landsverordening kan ge-
schieden. Voor de Nederla.dse Antillen is deze materie geregeld
in het zesde hoofdstuk, waarin de installing van "plaatselijke
gemeenschappen" bij eilandverordening mogelijk wordt gemaakt.
Het vijfde houfdstuk der Antillaanse Landsregeling stelt name-
lijk vast dat aan de reeds eerder genoemde eilandgebieden bij
Eilandenregeling zelfstandigheid wordt verleend t.a.v. de ver-
zorging van eigen aangelegenheden. Dit hoofdstuk stelt tevens
vast wat niet tot de zorg der eilandgebieden behoort, hetgeen
in de Eilandenregeling nader is uitgewerkt. Tevens regelt dit-
zelfde hoofdstuk principieel een aantal andere punten, zoals
de heffing va4 belastingen en retributies, de financiele ver-
houding, de benoeming der gezaghebbers der eilandgebieden -
hetgeen door of vanwege de Koning geschiedt welke zaken bij
eilandsverordening of eilandsbesluit dienen te worden vastge-
steld, en welke door de Eilandenregeling worden geregeld.
Over -








- 20 -


Over deze Eilandenregeling, die bij algemene maatregel van
bestuur wordt vastgesteld, zal straks nog een en ander worden
vermeld.


Het zesde hoofdstuk der beide Landsreelingen behandelt
het rechtswezen. Hierbij verschillen de Landsregelingen in zo-
verre, dat voor wat Suriname betreft benoeming en ontslag van
de procureur-generaal plaats vindt door de Koning, na overleg
met de Gouverneur, terwijl dit voor wat de Nederlandse Antillen
betreft geschiedt door de Regeringsraad in overleg met (d.w.z.
in overeenstemming met) de Gouverneur als orgaan van het Ko-
ninkrijk. Ook is de taak van de Procureur-Generaal als hoofd
van de politie verschillend omschreven.


Het zevende hoofdstuk(in de Antillaanse Landsregeling-het
achtste hoofdstuk) handelt over de Godsdienst. In beide regelin-
gen wordt voor een ieder recht op vrijheid van Godsdienst er-
kend. De Antilliaanse regeling stelt bovendien vast dat bijdra-
gen uit enige openbare kas aan kerkgenootschappen en godsdiensti-
ge gemeenschappen, met inbegrip van derzelver bediening en le-
raren, worden verleend op grondslag van gelijkgerechtigdieid
en volgens regels bij landsverordening te stellen.
De financien worden voor Suriname in het achtste en voor
de Antillen in het negende hoofdstuk behandeld. Daarin wordt
vastgesteld dat het muntstelsel bij landsverordening wordt ge-
regeld. Belastingen worden geheven uit kracht en volgens de
voorschrifuen van een landsverordening, dan wel volgens een
keur of reglement van zelfstandige plaatselijke gemeenschappen,
waarbij voor de Antillen dit ook volgens een eilandsverordening
kan geschieden. Geldleningen kunnen slechts krachtena landsver-
ordening worden aangegaan. Indien plaatsing van een geldlening
buiten Suriname of de Nederlandse Antillen wordt gezocht behoeft
de landsverordening om te kunnen werken voor wat Suriname be-
treft goedkeuring door de Koning, en voor wat de Antillen be-
treft goedkeuring bij de wet.
Toezicht op de besteding der geldmiddelen alsmede goedkeu-
ring der rekening van ontvangsten en uitgaven worden door beide
gebiedsdelen -









- 21 -


gebiedsdelen bij landsverordening opgedragen aan een onafhanke-
lijk orgaan, dat jaarlijks aan landsregering en Staten verslag
uitbrengt.
Het negende (in de Antilliaanse reeling bet tiende)
hoofdstuk behandelt de defense; het is in beide LTndsregeluin"
gen gelijkluidend, Alle in Suriname en de Nederlandse Antillen
woonachtige Nederlanders en niet-Nederlanders kunnen bij lands-
verordening tot dierst in do krijgsiacht wvorien verplicht, Al-
len die bij de krijgsmacht dienen zijn in dienst van het Ko-
ninkrijk. Benoeming en ontslag van .fficieren geschiedt door
de Koning, die tevens, ter handhaving van de uit- of inwendige
veiligheid elk deel der beide gebiedsdelen in staat van oorlog
of van beleg kan verklaren, wanneer de beveiliging.der belangen
van het Koninkrijk dit nodig maken, Dit ken ook volgens regels
daartoe bij laIvrerordening te stellen geschieden door c Gou-
verneurs,
Het tiende (Antilliaanse regeling elfde) hoofdstuk houdt
zich bezig met onderwijs, openbare gezondheid en armbestuur.
Beide regelingen stellen zich op het standpunt van vrijheid in
het geven van :.nderwijs, behoudens toezicht van de overhead en
onderzoek naar de bekwaamheid van de onderwijzer. In de Neder-
landse Antillen worden openbaar en bijzonder onderwijs, he-
laatste voor zover het aan te stellen voorwaarden voldoet,
naar dezelfde maatstaf uit de openbare kas bekostigd, Hoe
deze laatste bepaling voor Suriname luiit,wordt hieronder aan-
gegeven.
Het elfde (Antilliaanse regeling twaalfde) en laatste
hoofdstuk behandelt de volksvlijt. Het bepaalt oem, dat gean
installing als circulatiebank werkzaam kan zijn, en geen bank-
biljetten mogen worden uitgegeven of in omloop worden gebrach2t
anders dan krachtens landsverordening,


Tijdens de behandeling der Interimregeling voor Surinamo
door de Tweede Kamer (Juli 1949) werd een tweetal amendementen
aangenomen die een afwijking betekenden van hetgeen als resul-
taat van overleg tussen Regering en Staten van Suriname in
deze -








- 22 -


deze regeling was vastgelegd.
Deze amendementen waren:
1. dat van Prof. Schermerhorn c.s. over het huwelijksrecht
(voor het gehele huwelijksrecht zouden voor belijders der
daarvoor in aanmerking komende godsdiensten van het gemene
recht afwijkende regelingen kunnen worden getroffen); en
2. dat van de Heer de Kort c.s., dat de financi'le gelijkstel-
ling van openbaar en bijzonder lager onderwijs mede wilde
doen uitstrekken tot de opleiding van onderwijzers. Tegen
dit laatste had Suriname om financiele redenen reeds tij-
dens het voorafgaand overleg bezwaar gemaakt.
De aanneming dezer beide amendementen veroorzaakte in Su-
riname een heftige reactie. Reeds de volgende dag 25 Juli
1949 namen de Staten van dat gebiedsdeel met algemene stem-
men een besluit dat een scherp protest betekende en aangaf
dat Suriname op de aldus geamendeerde Interimregeling geen
prijs stelde. Aan de Eerste Kamer werd verzocht het ontwoerp
in die vorm te verwerpen, en bij de Regering werd er op aan-
gedrongen het in te trekken. Het College van Algemeen Bestuur
bleek met dit Statenbesluit in te stermmen.
Aanleiding tot deze heftige reactie was vooral gelegen
in het feit, dat aan de Staten van Suriname voorafgaand nader
overleg was toegezegd wanneer in de Tweede Kamer bij de be--
handeling der Interim-regeling ingrijpende wijzigingen zouden
worden voorgesteld. In de aanneming van het amendment de
Kort c.s. zag men nu een aantasting van het Surinaamse budget-
recht, terwijl men bovendien van meaning was dat de amendering
indruiste tegen de aan Suriname toegezegde autonomie.
De Eerste Kamer, die nu het wetsontwerp te behandelen
kreeg, gaf in een gedocumenteerd Voorlopig Verslag de Regering
te kennen dat zij dit ontworp in zijn geamendeerde vorm niet
zonder meer zou munnen aanvaarden. De Regering deelde daarop
in haar 1Memorie van Antwoord mede dat zij intrekking van het
ontwerp zou bevorderen, en dit geschiedde dan ook krachtens
Koninklijke machtiging op 12 September 1949. Eind October werd
een tweede ontwerp ingediend.
In1








-23-


In dit ontwerp waren de gerezen moeilijkheden als volgt
ondervangen. De door het amendment Schermerhorn c.s. ge-
wenste toevoeging aan artikel 155 der Landsregeling werd
achterwege gelaten, omdat artikel 129 van die regeling reeds
bepaalt dat o.a, het burgerlijk recht zoveel mogelijk over-
eenkomstig de in Nederland bestaande wetten bij landsverorde-
ning wordt geregeld, Deze forrmulering laat dus ruimte voor
een afwijkende regeling, en dit werd voldoende geacht.
Ten aaizien van het amendment de Kort cs, was in dit
tweede ontwerp een oplossing gevonden die enerzijds de prin-
cipiele opvatting der Regering dat de onderwerpelijke materie
niet behoorde tot de zaken waarover de Surinaamse autonomie
zich uitstrekt in stand held, en anderzijds aanvaarding door
de Staten van Suriname mogelijk maakte zonder dat dit College
haar afwijkend standpunt behoefde prijs te geven. Lit werd
bereikt door een bepaling toe te voegen die het de Landswet-
gever mogelijk maakt het geamendeerde artikel in dier voege
te wijzigen dat het weer zou komen te luiden zoals het oor-
spronkelijk door de Regering na overleg met de Staten van
Suriname was voorgesteld,
Inmiddels stelde de landswetgever bij landsverordening
van 18 Maart 1950 de oorspronkelijke test betreffende de
financiele gelijkstelling in de plaats van de geamendeerde
tekst. Daardoor is de financiele gelijkstelling beperkt tot
het algemeen vormend lager onderwijs; terwiji aan de lands-
verordening werd overgelaten de voorwaarden vast te stellen,
waarop bijdragen uit de openbare kas zullen worden verleend
voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorberei-
dend hoger ondeirijs en voor de opleiding van leerkrachten
tot het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs.

Op 18 November 1949 aanvaardde de Tweede Kamer dit twee-
de ontwerp; op 21 December d.a.v, werd het ook door de
Eerste Kamer aangenomen.
Bij Koninklijk Besluit van 10 Januari 1950 werd 20
January 1950 aangewezen als de datuum waarop de Interim-rege-
ling voor Suriname in working zou treden.
Het -








-24-


Het ontwerp der interimregeling voor de Nederlandse
Antillen is eerst later, en wel op 9 Mei 1950, aan de Tweede
Kamer aangeboden. Dit vond oorzaak in de lange duur van het
voorafgaand overleg, waarbij vooral het punt der zetelver-
houding in het Statencollege een rol speelde.
Volgens de in 1948 gewijzigde Staatsregeling was deze
verhouding vastgesteld op 8 zetels voor Curagao, 8 voor
Aruba, 2 voor Donaire en 1 voor de Bovenwindse eilanden, waar-
bij werd uitgegaan van de selling dat in algemene zin de
belangrijkheid van Curagao en Aruba van gelijke grootte is.
Hiermee was zij het gedeeltelijk voldaan aan het ver-
langen van Aruba om de eigen, in belangrijkheid toenemende
positive, tot gelding te brengen. In de practijk bleek dit
middel echter niet aan de verwachtingen te voldoen. De Inte-
rimregeling heeft hier oplossing gebracht door met de oude
toestand radical te broken. Zij geeft zelfstandigheid aan
de eilandgebieden ten aanzien van de verzorging der eigen
aangelegenheden, (vijfde hoofdstuk, Landsregeling) zodat
in de Staten niet meer over specifiek Arubaanse zaken zal
worden beslist. Daarmee verdvween het bezwaar, een zetelver-
deling in het even te roepen die op een evenredige verde-
ling is gebaseerd: deze verdeling stelt de Interimregeling
(vierde hoofdstuk Landsregeling) dan ook op 12 voor Cura9ao,
8 voor Aruba, 1 voor Bonaire en 1 voor de Bovenwindse eilan-
den. Na aanneming door resp. Tweede en Eerste Kamer ver-
scheen de Interimregeling der Nederlandse Antillen op 28
September 1950 in het Staatsblad. De bepalingen, betrekking
hebbende op de verkiezingen voor de Staten, en op het tot-
standkomen van de eilandenregeling welke de in hoofdstuk vijf
der Landsregeling vastgestelde zelfstandigheid der eiland-
gebieden regelt, traden begin October in working. Voor de
overige bepalingen geschiedde dit met ingang van 7 Februari
1951 kort voor het optreden der nieuw verkozen Staten.


De eilandenregeling der Nederlandse Antillen kwamr tot
stand bij Koninklijk Besluit van 3 Maart 1951, en stelt -
zoals reeds in het vijfde hoofdstuk der Antilliaanse Lands-


- regeling -








-25-

regeling aangegeven vast dat de eilandgebieden zelfstandig
zijn t.a.v. de verzorging van eigen aangelegenheden. Tevens
is vastgelegd welke zaken niet tot de zorg der eilandgebie-
den behoren.
Aan het hoofd van ieder eilandgebied staat een gezag.-
hebber die door de Koning wordt benoemd en ontslagen. Hij
staat de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk overeen-
komstig diens aanwijzingen bij, en eveneens de Landsregering.
Hij is voorzitter van de eilandsraad met adviserende stem en
is plaatselijk hoofd van politie.
Het bestuurscollege bestaat voor Aruba en Curagao uit
de gezaghebber als lid tevens voorzitter, en ten hoogste vier
gedeputeerden als leden. Deze gedeputeerden worden door de
eilandsraad al dan niet uit zijn midden gekozen. Voor Bonaire
bestaat dit college uit gezaghebber en twee gedeputeerden,
voor de Bovenwindse eilanden uit de gezaghebber en zes gede-
puteerden, voor ieder eiland twee.
De eilandsraad van het eilandgebied Aruba, en die van
het eilandgebied Curagao bestaat uit 21 leden. De eilandsraad
van Bonaire bestaat uit 7 leden, terwijl dit aantal bij
eilandsverordening op ten hoogste 9 kan worden bepaald. De
eilandsraad Van de Bovenwindse eilanden bestaat uit 15 leden,
voor elk eiland 5, die afdelingen van de raad vormen.
De leden worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen
van de eilandgebieden die Nederlanders zijn, de ouderdom van
23 jaar hebben vervuld en voldoen aan de eisen, gesteld voor
kiezers van de Staten, Dit komt dus ook in dit geval neer op
algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. De zittingsperiode
duurt vier jaren, De raad is bevoegd de belangen van het be-
trokken eilandgebied voor te staan bij de Koning, bij de
Staten-Generaal, de Gouverneur en de Staten.
De Raad heeft het recht van wijziging der door het be-
stuaurscollege aangeboden ontwerp-eilandsverordeningen.
Wanneer de gezaghebber meet, dat een verordening strij--
dig is met verdragen of overeenkomsten met een wet, met een
A.m.V.B. dan wel met het algemeen belang van het Koninkrijk
dan short hij de afkondiging daarvan op en geeft hij daarvan

kennis -






-26-


kennis aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk. Wan-
neer deze beslist dat de betrokken verordening niet met een
en ander strijdig is, kondigt de gezaghebber de verordening
alsnog af. Acht de Gouverneur dit wel het geval4 dan wordt
dit, met redenen omkleed, in het publicatieblad bekend ge-
maakt.
Aan het bestuurscollege staat gedurende dertig dagen na
de beschikking van de Gouverneur beroep op de Koning open,
Indien de gezaghebber meent, dat een eilandsverordening
in strijd is met een landsverordening of een landsbesluit
houdende algemene maatregelen, dan wel met het algemene be-
lang van de Nederlandse Antillen, dan short hij de afkondi-
ging daarvan op. Daarna wordt dezelfde procedure gevolgd, met
dien verstande, dat de Gouverneur als hoofd van de landsrege-
ring handelt en dat de Raad van Advies wordt gehoord.
Voorts kan de Gouverneur alle eilandsverordeningen en
besluiten houdende algemene maatregelen geheel of gedeelte-
lijk schorsen of vernietigen op dezelfde gronden als hierboven
aangegeven, hetzij als orgaan van het Koninkrijk, betzij als
hoofd van de landsregering, Aan de bestuurscolleges staat dan
gedurende dertig dagen beroep op de Koning open.
De eilandenregeling legt voorts vast de financiele ver-
houding der eilandgebieden tot de Nederlandse Antillen, en
de bevoegdheden inzake het heffen van belastingen en het aan-
gaan van leningen. Ten name en ten last van de eilandgebie-
den Bonaire en Bovenwindse eilanden kunnen geen leningen
worden aangegaan.


Nadat de interimregelingen en de eilawxd)regeling waren
ingevoerd, restte nog een nieuwe constructLe van het Konink-
rijk, waarin Suriname en de Nederlandse Antillen een geeigen-
de plaats zullen hebben. De tijd was nu gekomen de voorberei-
ding van een zodanige nieuwe rechtsorde te bespoedigen.
Na onderling overleg van de Regeringen der drie Rijksde-
len werd besloten dat Nederland drie gemachtigden, en Suriname
zowel als de Nederlandse Antillen elk 46n of twee gemachtig-
den zouden aanwijzen tot het voeren van vooroverleg, dat
-zowel-








-27-

zowel op de Nederlandse Antillen als in Suriname en den Haag
plaats vond. Het doel van dit vooroverleg was om te komen
tot een werkstuk, dat de te houden conferentie als basis zou
kunnen dienen, opdat zo mogelijk reeds in Maart 1952 de Ronde
Tafel Conferentie bijeen zou kunnen komen.
yoor Nederland werden als gemachtigden aangewezen
Mr.J.R.H. van Schaik, Minister van Staat en Lid.van de Raad
van State; Prof.Mr. W.C.L.v.d.Grinten, hoogleraar te Tilburg
en Mr.W.H. van Helsdingen, Raadadviseur bij het Ministerie
voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen.
Voor Suriname werden aangewezen: Mr.Dr.J.A.E.Buiskool,
Minister-President van Suriname en Mr.Dr.R.H.Pos, algemeen
vertegenwoordiger van Suriname in Nederland, terwijl voor de
Nederlandse Antillen optraden Dr.M.F.da Costa Gomez, Minister-
President van de Nederlandse Antillen en Dr.W.Ch.de la-Try
Elis, vice-voorzitter van de Raad van Advies. De algemeen
vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen in Nederland,
MrN. Debrot, woonde de meeste vergaderingen bij.
Na intensief overleg kwam een werkstuk tot stand, dat
bestemd is om op de Ronde Tafel Conferentie als basis van be-
Spreking te dienen. Er is daarin rekening gehouden met de
zowel door Suriname als door de Nederlandse Antillen tot
uiting gebrachte wens, dat de nieuwe constructie van het Ko-
ninkrijk hecht doch eenvoudig zou zijn. Tevens zullen volgens
deze wens niet teveel personen behoeven te worden onttrokken
aan de werkzaamheden tot opbouw van deze beide rijksdelen,
en er is naar gestreefd dat de kosten niet te zwaar zullen
worden, maar dat niettemin bij de behartiging van de aangele-
genheden van het Koninkrijk met de belangen van die rijksdelen
ernstig rekening wordt gehouden.
De twee grote punten van de thans te treffen voorziening,
waarin de verbondenheid van het Koninkrijk tot uitdrukking
zal komen, zijn de zelfstandigheid en de samenwerking. De
zelfstandigheid blijkt uit de Landsregelingen, maar de grond-
slagen van deze zelfstandigheid zullen volgens het werkstuk
dienen te worden vastgelegd in het Statuut, waarvan de bepa-


-lingen-








-28-

lingen slechts gewijzigd zullen kunnen worden met de instem-
ming van Suriname en de Antillen. Het Statuut zal beperkt
van omvang kunnen zijn nog geen 50 artikelen als de rege-
ling van verschillende onderwerpen, het Koninkrijk betreffen-
de, aan de Grondwet wordt overgelaten. Waar de zelfstandig-
heid der drie rijksdelen dus in het Statuut haar grondslag
moet vinden, was het nodig aan te even, welke de aangelegen-
heden van het Koninkrijk zijn. De voornaamste daarvan zijn de
defense, de buitenlandse betrekkingen en het waarborgen van
de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, van de
rechtszekerheid en van de deugdelijkheid van het bestuur.
Deze onderwerpen waren tot nog toe geregeld in de Lands-
regelingen van Suriname en de Nederlandse Antillen; zij be-
horen daarin eigenlijk niet meer this, en verschillende der
in deze Landsregelingen voorkomende bepalingen zijn dan ook
nu in het Statuut opgenomen. Andere op de rijksaangelegenhe-
den betrekking hebbende bepalingen kunnen wAl in deze rege-
lingen blijven staan, mits zorg wordt gedragon dat zij niet
eenzijdig bij landsverordening worden gewijzigd, doch dat dit
in eamenwerking tussen de rijksdelen bij rijkswet of algeme-
ne maatregel van rijksbestuur geschiedt.
Verwacht mag worden dat de wetgeving omtrent Koninkrijks-
zaken nadat de nieuwe constructive eenmaal tot stand zal
zijn gekomen niet omvangrijk zal zijn. Wel zal or een uit-
gebreid terrein voor overleg omtrent gemeenschappelijke be-
langen of omtrent wederzijdse belangen worden geschapen.
Daartoe zouden gemengde commissies in het leven kunnen worden
geroepen, zoals thans voor economische en financiele aangele-
genheden reeds een coOrdinatiecollege bestaat. Overigens zal
een vruchtbaar contact tussen de Regeringen kunnen worden on-
derhouden doordat de Gevolmachtigde Landsministers die in de
plaats komen voor de huidige algemene vertegenwoordigers -
zitting zullen hebben in de Ministerraad, alwaar zij bevoegd
zullen zijn met stem deel te nemen aan de behandeling van
Koninkrijksaangelegenheden, welke de beide rijksdelen in de
...st raken. De Landsregeringen zullen zelf kunnen aangeven
welke aangelegenheden dit naar hun oordeel betreft.
-Voor-




-29-


Voor de Gevolmachtigde Landsministers is tevens de ge-
legenheid geopend omtrent deze aangelegenheden nader overleg
te verzoeken in kleine kring van twee ministers en twee
landsministers, onder voorzitterschap van de Minister-Presi-
dent.
Indien de Regeringen van Suriname of van de Nederlandse
Antillen de wens daartoe te kennen geven, wordt voor ieder,
overeenkomstig punt 8 der Landsregelingen, een Staatsraad
benoemd.
De Koninkrijksaangelegenheden worden geregeld bij rijks-
wet of bij algemene maatregel van rijksbestuur, tenzij de
regelen noch in Suriname, noch in de Nederlandae Antillen
gelden; in dit laatste geval geschiedt de regeling bij wet
of algomene maatregel van bestuur volgens de bestaande Neder-
landse procedure.
De rijkswet komt ook in de Staten-Generaal tot stand,
doch Suriname en de Nederlandse Antillen zullen daar dsel aan
kunnen nemen. Doze rijksdelen krijgen hot ontwerp gelijk met
de Tweede Kamer; zij kunnen het onderzoeken en er verslag
ever uitbrengen terwijl in de Tweede Kamer de Gevolmachtigde
Landsminister voorlichting verschaft of voorstellen tot wij-
ziging indigent, en zich vd6r de stemming tegen het ontwerp
kan verklaren. In dit laatste geval kan de-Kamer het ontwerp
niet goedkeuren dan met drie vijfden van het aantal uitge-
brachte stemmen. Een zelfde gevolg heeft het afleggen van een
dergelijke verkiaring in de Eerste Kamer,
De d2elneming van Suriname en van de Nederlandse Antil-
len in do wetgeving zal dus in velJrlei stadia en op velerlei
wijze tot uitdrukking kunnen komen.
Suriname on de Nederlandse Antillen zullen naar draag-
kracht bijdragen in de kosten, die aan de verzorging van de
Koninkrijksaangelegenheden verbonden zijn.
Voor Interimregeling curiname zie
Staatsblad No. J 575 en No K 1.

Voor Interimregeling Ned.Antillen
zie Staatsblad No. K 419; K 426;
K.489; 1951 No.33 en 1951 No. 46.

Voor Eilandenregeling zie Staats-
blad 1951 No. 64.

Voor Werkstuk, zie "Werkstuk, door
de gemachtigden van Nederland, Suri-
name en de Ned.Antillen aan de Rege-
ring aangeboden", enz.; Staatsdrukke-
rij @n Uitgaverij.




















TWEEDE DEEL


Algemene gegevens.









De op het westelijk halfrond gelegen rijksdelen
van het Koninkrijk der Nederlanden worden gemeen-
lijk tezamen aangeduid als "de West". Deze rijks-
delen zijn Suriname en het uit twee groepen
bestaande eilandengebied dat de naam van
Nederlandse Antillen draagt.-


S u r i n a m e

Suriname, of Nederlands-Guyana, zoals het hoofdzakelijk
ter onderscheiding van Brits- en Frans-Guyana nog wel wordt
genoemd, is gelegen op de noordkust van Zuid-Amerika. Ten
oosten wordt het begrensd door Frans-Guyana, waarbij de grens
door de Marowijne wordt gevormd, en ten western door Brits-
Guyana, waar de Corantijn de grens aangeeft. In het zuiden
grenst Suriname aan Brazilib; een gemeenschappelijke Neder-
lands-Braziliaanse expeditie heeft hier in de jaren 1935-'38
door het Tumac-Humac gebergte de grens vastgesteld.
De total oppervlakte van Suriname is 142.882 vierkante
kilometer (55266 sq.miles).
Historie.-

Het gebied, waartoe ook Suriname behoort, werd door de
Europese zeevaarders die tegen het einde van de vijftiende
en in het begin van de zestiende eeuw op zoek waren naar de
rijkdommen van de nieuwe wereld, als "de wilde kust van
Guyana" aangeduid. In die tijd was de nieuwe wereld ten be-
hoeve van Portugal en Spanje door de Paus in twee invloeds-
sferen verdeeld (Verdrag van Tordesillas, 1494). Het gebied
ten oosten van de scheidingslijn werd aan Portugal toegewezen;
het gebied ten western aan Spanje. Deze scheidingslijn nu kwam
uit in het Guyana-gebied; vandaar dat dit gebied aan de ene
zijde wordt begrensd door het Portugees sprekende Brazilid, en
aan de andere zijde door het Spaans sprekende Venezuela. Het
Guyana-gebied vormde een soort niemandsland, en daar vestigden
later andere mogendheden Engeland, Frankrijk en Nederland -
plantages. Dit leidde in vele gevallen tot onderlinge naijver
en gewapend optreden, maar de Nederlanders (Zeeuwen) kregen

-tenslotte-

s 10Q964/UQa.







-2-


tenslotte in 1667 vaste voet in dat deel van het Guyana-gebied
dat thans als Suriname bekend is. Wel kwamen de Engelsen er
nog korte tijd terug, maar in 1668 was dit gebied weer in
Nederlandse handen. Buitendien was het bij de vrede van Breda,
die in 1667 een eind maakte aan de tweede Nederlands-Engelse
zeeoorlog, bij overeenkomst met Engeland reeds aan Nederland
toegewezen.
In 1682 verkocht Zeeland aan welke province Suriname
op ground van de bestaande vestigingen meer in het bijzonder
toebehoorde,dit gebied aan de West-Indische Compagnie. Daarna
kwam het voor korte tijd wonder het beheer van de z.g.
Geoctroieerde Socitteit, die was samengesteld uit de West-In-
dische Compagnie, de stad Amsterdam, en de families Van Aerssen
van Sommelsdijk. In het jaar 1791, toen de Compagnie was op-
geheven, werd het wonder toezicht van de Staten-Generaal ge-
plaatst.
De Franse revolutie, met als gevolg de vestiging van de
Bataafse republiek, en de Napoleontische overheersing brachten
in 1799 de Engelsen in Suriname. Wel werden zij in 1802 weer
verdreven, maar in 1804 keerden zij terug, en tot 1816 duurde
het Engelse tussenbestuur, waarbij echter de Nederlandse
Gouverneur in zijn positive werd gehandhaafd.
Bevolking.

In het jaar 1950 bedroeg de bevolking van Suriname
221.341 zielen. De bevolking bezit een heterogeen karakter;
zij is namelijk uit racial zeer verschillende groepen samen-
gesteld.
De telling wees uit, dat zij op dat tijdstip bestond uit
82.408 Surinamers (Creolen), 66.829 Hindostanen, 38.165 Indo-
nesi;rs, 2.849 Chinezen, 22.000 Bosnegers, 3.700 Indianen en
5.390 anderen, w.o. voornamelijk blanket Nederlanders. Van de
total bevolking bevinden zich 79.874, dat is dus meer dan
40%, in de hoofdstad Paramaribo,
Naar de gezindten was de bevolking in 1950 verdeeld a.v.:
Mohammedanen 51.633, Hindoes 48.577, Rooms-Katholieken 36.980,


-Evangelische-








-3-


Evangelische Broedergemeente 35.980, Nederlands-Hervormde Ge-
meente 10.008, Evangelisch-Lutherse Gemeente 4.710, Confucia-
nen 4.068, IsraZji-ten 499, Apost.Method.Episc.Church 323,
Doopsgezinden 117, Gem.gedoopte Christenen 33, anderen 2.743.
De Indianen zijn de oudste bewoners van Suriname. Het is
onbekend hoe lang zij daar reeds zijn. Zij vormen slechts een
bescheiden bevolkingsgroep, en zij zijn vermoedelijk nooit
talrijk geweest. Gedeeltelijk hebben zij sinds het begin der
Europese vestigingen de westerse invloed ondergaan; dit geldt
in het bijzonder voor die Indianen, die in het Saramacca-
district zijn gevestigd. De Indianen die in het binnenland ver-
blijven hebben weinig invloed van buiten ondergaan.
De Creolen zijn voortgekomen uit die groep der negerbevol-
king die reeds v66r, of ter gelegenheid van de afschaffing der
slavernij (1863) vrij werd verklaard. Gedeeltelijk hebben zij
zich in belangrijke mate met westers bloed vermengd. Dit geldt
vooral voor de bovenlaag en de middenklasse. Deze groepen heb-
ben zich opengesteld voor de westerse cultuur welke zij over-
wegend hebben geassimileerd. Met de eigenlijke Creoolse volks-
massa is een en ander nog in veel mindere mate het geval.
De ontwikkelden hebben zich, dank zij verstand en door-
zettingsvermogen, vaak tot belangrijke posities opgewerkt. In
handel, intellectuele beroepen en regeringsdiensten nemen zij
het merendeel der vooraanstaande plaatsen in.
De Bosnegers zijn voortgekomen uit van de plantages ge-
vluchte negerslaven. In tegenstelling met de vrij-verklaarden
zijn zij Afrikaans gebleven, zoals zij dit waren in de zes-
tiende en zeventiende eeuw, toen zij, tegelijk met de komst
der eerste Engelse en Portugees-Joodse nederzetters, als sla-
ven uit Afrika werden aangevoerd.
De Indonesiers, Hindoestanen en Chinezen kwamen eerst in de
tweede helft der negentiende eeuw naar Suriname. Zij werden op
contractuele voorwaarden aangeworven als arbeiders voor de
ondernemingen, die tengevolge van de opheffing der slavernij
groot gebrek aan arbeidskrachten hadden. De Indonesiers zijn
thans in hoofdzaak klein-landbouwers en handwerkslieden. De

-Hindoestanen-







-4-

Hindoestanen worden algemeen als de beste landbouwers erkend.
Mechanische grondbewerking werd in Suriname het eerst door
hen toegepast. Bovendien bezitten de Hindoestanen het meren-
deel der rijstpellerijen en zij nemen bij de handeldrijvende
middenstand een belangrijke plaats in. Door de economische
vooruitgang van deze bevolkingsgroep ontstaan meer en meer
bindingen met de bovenlaag der Creolen en met de Europeanen,
De Chinezen hebben zich vooral bij de handeldrijvende
middenstand een zeer belangrijke plaats veroverd.
Volgens artikel 4 der ter Ronde Tafel Conferentie tussen
Nederland en IndonesiU gesloten overeenkomst betreffende toe-
scheiding van staatsburgers hebben de Indonesiers, indien zij
buiten het Koninkrijk zijn geboren, de Indonesische nationa-
liteit verkregen, terwijl zij bevoegd waren binnen de gestel-
de termijn tot twee jaren na de souvereiniteitsoverdracht -
te verklaren dat zij de Nederlandse nationaliteit verkiezen.
Zij, die binnen het Koninkrijk zijn geboren behouden de Neder-
landse nationaliteit, terwijl zij bevoegd waren binnen dezelf-
de termijn de Indonesische nationaliteit te verkiezen. Het re-
sultaat is geweest dat bijna alle Indonesiers de Indonesische
nationaliteit hebben behouden dan wel daarvoorhobben geopteerd.
Op ground van de faciliteiten, daartoe door de Ronde Tafel
Overeenkomst met Indonesii verleend, bevindt zich thans in
Suriname een commissaris van de Republiek Indonesi; het over-
grote deel der Indonesische bevolkingsgroep heeft de wens te
kennen gegeven naar Indonesi6 terug te keren, maar vastomlijn-
de plannen bestaan dienaangaande nog niet.


Ondanks de hierboven beschreven zeer sterke differen-
tiatie naar ras en geloof, bestaat in Suriname toch geen
antagonisme tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Dit mag
in belangrijke mate worden toegeschreven aan het feit, dat
tussen deze groepen op generlei wijze wordt gediscrimineerd.
Hoewel Suriname een veeltalig land is, neemt het Neder-
lands er een zeer belangrijke plaats in. Het wordt in het
bijzonder gesproken door de Creolen, maar waar bij het onder-
wijs het Nederlands voertaal is, wordt het ook door de andere


-bevolkingsgroepen-







-5-


bevolkingsgroepen gebruikt. Dientengevolge neemt de invloed
van het sranang tongo ("takki-takki"), een soort negerengels
dat als omgangstaal wordt gebezigd, voortdurend af. Bij de
Hindoestanen en Indonesiers wordt, naast Nederlands, uiteraard
Hindoestaans en Indonesisch of Javaans gesproken.
Van het onderwijs dat sedert 1876 verplicht is gaat
een grote stuwkracht voor de Surinaamse cultuurvorming uit.
Zoals reeds eerder werd aangegeven, hebben in het bij-
zonder de Creoolse bovenlaag en de middengroep zich bij hun
culturele behoeften Europees georignteerd. Dit betekent echter
niet, dat de Europese cultuur klakkeloos is of wordt overge-
nomen. Onder de invloed van de volksaard heeft zij in Suriname
een aangepast, eigen karakter verkregen, en verschillende
harer uitingen beginnen reeds buiten de landsgrenzen de aan-
dacht te trekken.
Aan de volksontwikkeling wordt de laatste tijd veel aan-
dacht besteed. Op dit gebied heeft de Stichting Cultureel
Centrum Suriname, in samenwerking met de in Nederland geves-
tigde Stichting Culturele Samenwerking in de laatste tijd
nuttige steun verleend. Zij zoekt het terrein van haar arbeid
voortdurend uit te breiden.
Er zijn in Suriname thans 129 scholen, n.l. 64n voor
middelbaar onderwijs, zes voor meer uitgebreidla@rcrnemWilS,vier
voor uitgebreid lager onderwijs, en 118 voor lager onderwijs.
Voorts zijn er een rechtsschool, een geneeskundige school,
een opleidingsschool voor ambtenaren, een normaalschool (op-
leiding onderwijskrachten), en een huishoud- en industrie-
school.
Economic.

Oorspronkelijk, d.w.z', sinds de komst der westerse pio-
niers, was Suriname een belangrijk landbouwgebied. Er is een
tijd geweest dat men er ruim 500 plantages telde. Deze konden
in het dun bevolkte land echter slechts worden geUxploiteerd
met behulp van geimporteerde arbeidskrachten. Eerst waren dit
Afrikanen en later, na de afschaffing van de slavernij,
Hindoestanen, IndonesiUrs en Chinezen. Hoewel de afschaffing


-van-








-6-


van de slavernij voor het plantagewezen inderdaad een aanzien-
lijke moeilijkheid betekende, was zij voor de algemene achter-
uitgang daarvan toch niet beslissend. Hiertoe hebben verschil-
lende factoren bijgedragen, zoals de steeds toenemende concur-
rentie van andere gebieden (Java!), de prijsbeweging op de
wereldmarkt, en het optreden van plantenziekten.
Over wat thans wordt gedaan teneinde bepaalde cultures
van exportproducten te doen herleven zal straks nog een en
ander worden medegedeeld. Momenteel vinden wij nog hoewel
op aanzienlijk kleiner schaal dan vroeger verbouw van kof-
fie en suiker, terwijl zich daarbij de laatste jaren de
citrus-cultuur als exportfactor van enige betekenis heeft ge-
voegd. Voorts zijn nog van betekenis rijst, aardvruchten,
mais, peulvruchten, grondnoten en verse groenten. Veel ver-
wachting wordt gekoesterd van de cacao-cultuur, waarmee men
thans opnieuw is begonnen.
Voor de bevolking speelt de landbouw een belangrijke rol,
en men stelt zich dan ook ten doel om binnen het raamwerk van
de Surinaamse volkshuishouding te komen tot zodanige landelij-
ke opbouvv, dat een optimale bevolking een maximale productive
aan marktwaardige producten zal kunnen leveren met behoud van
de bodemvruchtbaarheid.
Deze vruchtbaarheid is overigens van zeer uiteenlopende
aard. In grote trekken kan Suriname bodemkundig worden ver-
deeld in vier landschappen, namelijk a. de jonge kustvlakte,
waarvan de kleigronden een grote natuurlijke vruchtbaarheid
bezitten. Deze vlakte is gemiddeld 50 km breed, en beslaat
rond 10.000 km2; b. de oude kustvlakte, die een zelfde breedte
en oppervlakte heeft maar een aanzienlijk lagere natuurlijke
vruchtbaarheid bezit; c. de z.g. savannegordel ter breedte
van omstreeks 15 km, die slechts een geringe vruchtbaarheid
bezit, en d. het hoogland, groot rond 135.000 km2, dat nage-
noeg geheel is bedekt met gemengd tropisch regenwoud. Dit
hoogland heeft slechts een lage intrensieke vruchtbaarheid;
in dit stadium moet het worden beschouwd als een natuurlijke
reserve aan landbouwgronden, die voorlopig niet zal behoeven
te worden aangesproken.

-Het-








-7-


Het klimaat kan worden gekenschetst als een gelijkmatig
equatoriaal zeeklimaat, dat in het algemeen bevorderlijk is
voor de vegetatieve ontwikkeling der gewassen. De regenval
is voldoende, doch niet hoog, en het regent niet zwaar; het
klimaat is echter uitgesproken vochtig, er zijn veel regen-
dagen en betrekkelijk weinig zonneschijn, Met deze omstandig-
heden zal uiteraard bij de keuze der te telen gewassen reke-
ning moeten worden gehouden.


Een belangrijk exportartikel is hout, dat ook in de vorm
van triplex wordt uitgevoerd. Suriname is bovendien rijk aan
hard houtsoorten. De bosinventarisatie is echter nog niet
geheel voltooid, zodat een volledig overzicht over de hout-
opstand nog ontbreekt. Het mag echter worden verwacht dat de
bossen voor Suriname nog veel zullen gaan betekenen.
Veeteelt wordt op beperkte schaal aangetroffen in de om-
geving van Paramaribo, waar zij wordt uitgeoefend door de
nakomelingen van vroegere Nederlandse kolonisten.
De export van delfstoffen is dank zij de bauxietwinning
zeer belangrijk. De winning van bauxiet dateert van 1916, en
geschiedt thans door twee maatschappijen, nl. de Surinaamse
Bauxiet Maatschappij (een dochteronderneming van de Aluminium
Company of America), en de Billiton Maatschappij. In de oor-
logsjaren werd 60% van de door Amerika voor vliegtuigbouw
benodigde aluminium door Suriname geleverd. Er zijn daar van
deze delfstof nog aanzienlijke voorraden aanwezig.
Goud wordt in Suriname gewonnen sinds omstreeks 1875; ten
dienste van deze ga~winning werd zelfs in 1912 een spoorlijn
geopend. De opbrengsten van de goudwinning zijn echter niet
hoog genoeg gebleken om de exploitatie van deze spoorlijn
te kunnen dekken.
Bauxiet en goud zijn momenteel de enige delfstoffen die
in Suriname worden gewonnen. Onderzoek naar de bodemrijkdom
zal kunnen uitwijzen of er nog andere delfstoffen in exploita-
bele hoeveelheden aanwezig zijn.








-8-


De handel beperkt zich tot export en import; doorvoer-
handel is er niet. Deze export- en importhandel zijn gedeel-
telijk op Nederland, en gedeeltelijk op de V.S. gericht.


De industries is vooralsnog zeer bescheiden. Er zijn twee
grote houtverwerkingsbedrijven en verder een aantal kleine
fabrieken, zoals een schoenenfabriek, een kleding-industrie,
enkele leerlooierijen, een cementfabriek, een bouwstenen- en
dakpannen industries, rijstpellerijen, fabriekjes voor zeep,
lucifers en sigaretten, en er zijn plannen voor een fabriek
voor de verwerking van vruchtensappen en andere landbouwpro-
ducten.


De overzeese verbindingen worden voornamelijk onderhou-
den door de Kon. Ned. Stoomboot Maatschappij en door de K.L.M.
Ook de Pan American Airways doet Suriname in het vliegverkeer
aan.
De plaatselijke zeeverbindingen worden verzorgd door een
binnenlandse scheepvaartmaatschappij, die tevens de kustvaart
op de naburige landen onderhoudt.

Welvaartsmogelijkheden en welvaartsplannen.
------------------------------------------
De ontwikkeling der economische mogelijkheden van Suri-
name is vooral na de oorlog krachtig ter hand genomen. Onder
het bestuur van Gouverneur Brons is een welvaartsplan uitge-
werkt, dat in 1947 in Nederland werd goedgekeurd, en in ver-
band waarmee op 1 Augustus 1947 door de Nederlandse Regering
bij wet het z.g. Welvaartsfonds werd ingesteld. Dit fonds,
ten bedrage van 40 million Nederlandse guldens, had tot doel
de economische welvaartsbronnen te ontwikkelen, en de social
omstandigheden te verbeteren. Gedurende vijf jaren wordt aan
dit fonds ten last der Nederlandse middelen een bedrag van
acht million gulden per jaar toegewezen.
In December 1947 werd een begin gemaakt met de vorming
van een administratief apparaat voor de uitvoering van door
dit fonds te financieren plannen, terwijl ongeveer te zelfder


-tijd-








-9-


tijd de eerste groep advisers naar Suriname vertrok teneinde
een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid voor de ves-
tiging van gemechaniseerde rijstbedrijven. Het uitgebrachte
rapport was aanleiding tot de oprichting van de Stichting ter
bevordering van de machinale landbouw, welke stichting over
eigen fondsen beschikt en met de uitvoering van belangrijke
plannen reeds grote vorderingen heeft gemaakt,
Zo is in uitvoering het z,g, Noord-Nickerie project, dat
de toepassing van de machinale rijstcultuur en eventueel van
andere cultures in het district-Nickerie beoogt. Het deel van
van dit plan dat thans in uitvoering is omvat de aanleg van
drie polders met een geraamd oppervlak van 17.000 ha, Hierop
zullen omstreeks 200 bedrijven van 80 h.a. ieder kunnen worden
opgericht; bij het verpachten dezer bedrijven is gedacht aan
deelneming door jonge Nederlandse landbouwers die zich dan
finanoieel in deze bedrijven zouden moeten interesseren.
Dit Noord-Nickerie-plan is uiteraard voor uitbreiding
vatbaar; men denkt daarbij aan een areaal van 50.000 h.a.
In de reeds aangelegde proefpolder de Prins Bernhard-polder -
zijn gunstige resultaten bereikt.
Een tweede project, gefinancierd door het Welvaartsfonds,
is het z.g. plan-Lelydorp. Dit plan omvat de herontginning van
nabij Paramaribo gelegen plantagegrond ter grootte van 2000
h.a. Deze ground wordt verkaveld in kleine percelen van 16 h.a.
en minder, teneinde de bevolkingslandbouw te stimuleren.
Op deze ground experimenteert men thans met de aanplant
van cocos- en oliepalmen, citrus, cacao, cassave, mais en
bananen. Naast deze ook voor de'kleine of middenstandslandbouw
geschikte gewassen wordt ook aan veeteelt gedacht.
Het derde project in uitvoering, eveneens gefinancierd
door het Welvaartsfonds, is het Slootwijk-plan. Slootwijk is
een oude plantage, en dit project beoogt het nemen van proven
teneinde na te gaan wat met de vele verlaten plantages in
Suriname nog gedaan kan worden. Deze proven zullen omvatten
de verbouw van citrus, koffie en cacao, cocos en vezelgewassen,
waarbij men vooral voor wat de cacao betreft goede verwachtigen

-meent-








-10-


meent te mogen koesteren. De proven zullen zich naar alle
waarschijnlijkheid niet tot deze gewassen blijven bepalen.
Het Welvaartsfonds heeft ook andere, met de ontwikkeling
van Suriname in nauw contact staande objecten ter hand geno-
men. Zo werd een luchtkartering van het noordelijk deel van
Suriname uitgevoerd; een dergelijke kartering is onmisbaar
voor een snelle inventarisatie der economische mogelijkheden.
Over de exploitatiemogelijkheden der Surinaamse bossen werd
door een Nederlands deskundige rapport uitgebracht. De door de
visserij geboden mogelijkheden werden in studied genomen. Er
werden middelen verschaft voor de oprichting van de Citrus-
centrale, en voor de uitbreiding der installaties van de Suri-
naamse Vruchten- en Conserven Maatschappij. Geadviseerd werd
tot de oprichting van een Volkscredietbank, waartoe de oprich-
tingskosten en het stamkapitaal werden verstrekt, zodat deze
bank op 3 Januari 1949 geopend kon worden. Er werden projecten
uitgewerkt voor de verbetering van de haven van Paramaribo,
terwijl een onderzoek werd ingesteld naar de mogelijkheden
voor Stadsuitbreiding en verbetering van de watervoorziening.
Voor de bouw van een nieuw hospital te Paramaribo werd een
bedrag van 2- million gulden uitgetrokken. Verbetering van
de volkshuisvesting had eveneens de aandacht van het Welvaarts-
fonds: een plan voor de bouw van 56 middenstandswoningen en
700 volkswoningen werd uitgewerkt en uitgevoerd. Hiervoor
droeg het fonds slechts het niet-rendabele deel van de bouw-
kosten bij; de exploitatie der woningen werd in handen van de
landsregering gelegd. Ook werd nog een natuurwetenschappelij-
ke expeditie gefinancierd en een sociaal-economische documen-
tatie ingericht.
Uit een en ander blijkt wel, dat het Welvaartsfonds vooral
was bedoeld om de ontwikkeling op gang te brengen en de voor-
waarden te scheppen waaronder de economische en de social
ontwikkeling zich ook na de uitputting van dit fonds zou kun-
nen voortzetten. Voor een volledige uitvoering van de ontwik-
kelingsmogelijkheden waren de middelen uiteraard onvoldoende,
waar nog bij kwam dat deze middelen door devaluatie van de

-Nederlandse-








-11-


Nederlandse munt in !;urinaams courant uitgedrukt belangrijk
waren teruggelopen. Op het werkschema van het fonds werd daar-
om een som uitgetrokken voor de opstelling van een langjarig
ontwikkelings- en financieringsplan. Deze middelen werden ter
beschikking gesteld van het bij resolutie van de Gouverneur
van Suriname dd. 27 Juli 1951 opgerichte Planbureau Suriname.
Dit bureau heeft tot taak "het beramen, opstellen, ontwikke-
len, coardineren en stimuleren van plannen welke kunnen leiden
tot de bevordering van de geestelijke en materiele welvaart
van het land".
Het Planbureau heeft inmiddels een eerste schets voor een
Tienjarenplan ontworpen, welke schets als grondslag heeft ge-
diend voor een onderzoek van een missie van de Interbank. In
deze voorlopige schets worden de volgende ontwikkelingspro-
jecten genoemd,
1. Luchtkartering van het zuidelijke deel des lands.
2. Verdere uitvoering Nickerie-plan.
3. Idem Lelydorp- en Slootwijkplan.
4. Stuwdam en energieopwekkingsplan*
5. Bosontsluitingsplan*
6. Onderzoek naar mineralen,
7. Landbouwkundig wetenschappelijk onderzoek,
8. Visserij- en veeteeltplan.
9. Sociale opbouw.
10. Volkscredietwezen.
17, Verkeersplan.
12. Landelijke opbouw.
Een der belangrijkste van deze deelplannen is het vierde,
het stuwdam- en energieontwikkelingsplan, bekend als het
Brokopondo-plan, Dit plan beoogt de opwekking van electrische
energie door de bouw van een stuwdam in de Surinamerivier bij
Brokopondo, waardoor waterkracht voor het opwekken van elec-
trische energie kan worden verkregen. Daarmee opent zich dan
de mogelijkheid van industrialisatie. Bovendien zullen door
de bouw van deze stuwdam uitgestrekte arealen kunnen worden
bevloeid, terwijl de bevaarbaarheid van de Surinamerivier er
door zal worden verbeterd.
-De-








-12-

De missie van de Interbank vertoefde gedurende de laatste
maanden van 1951 in Suriname; voor haar vertrek verklaarde zij
bij monde van haar voorzitter, de heer Demuth, aan vertegen-
woordigers van de pers, dat het Planbureau zeer goed werk
had verricht. Er was een goede grondslag gelegd, al zou in
het'tijdstip van uitvoering van sommige projecten enige wijzi-
ging worden voorgesteld. Als hoofdbronnen voor de ontwikkeling
van Suriname meende de heer Demuth te moeten beschouwen bauxiet-
winning, bosbouw en landbouw. Het Brokopondoplan had instem-
ming gevonden; het zou nu zaak zijn om afnemers voor de op te
wekken stroom te vinden. Hierbij dacht de heer Demuth o.a.
aan een aluminium-industrie. Wat de landbouw betreft meende
hij, dat men in Suriname zou moeten afstappen van de oude
vorm van plantage-landbouw, en over most gaan tot het oprich-
ten van familie-boerderijen met een areaal van vier tot acht
h.a., met mechanisatie op grote schaal.
Zowel het werk van het landbouwproefstation als het
visserij-project hadden een gunstige indruk gemaakt.
T.a.v. de industrialisatie had men de indruk dat er
vooral plaats zou zijn voor kleine industrieen en slechts
voor enkele grote. Deze laatste zouden dan in het bijzonder
voor de export moeten werken, en zich op de verwerking van
land- en bosbouwproducten moeten toeleggen. Het leek de heer
Demuth inderdaad nodig, dat Suriname over financiele hulp van
buiten zou kunnen beschikken,
Het rapport van de missie zou zo spoedig mogelijk worden
voltooid. Eerst na het verschijnen van dit rapport zal worden
overwogen hoe de financiele consequenties der ontwikkelings-
plannen wonder ogen zullen worden gezien.

In- en uitvoercijfers.

De waarde van de invoer bedroeg over het jaar 1949
Sur.f 37.812.004, over het jaar 1950 Sur.f 39.314.281 en over
het jaar 1951 Sur.f 45.933.093. De belangrijkste posten werden
gevormd door machines, motoren, werktuigen, mineral olide,
vervoermiddelen, Vaartuigen en voedingsmiddelen.

-Over-







-13-


Over 1949 en 1950 waren de uitvoercijfers van de voor-
naamste productenm
1949 1950
Bauxiet Sur.f 25.347.000 Sur.f 25.607.000
Koffie 467.000 436.000
Rijst 3.229.000 1.176.000
Citrus 1.150.000 590.000
Andere vruch-
ten 331.000 480.000
Balata i" 508.000 546.000
Hout 838.000 652.000
Triplex 1.536.000 1.847.000
De total waarde van de uitvoer was over het jaar 1949
Sur.f 34.083.414, over het jaar 1950 Sur.f 31.477.145 en over
het jaar 1951 volgens voorlopige cijfers Sur.f 39.709.000,
waarvan aan bauxiet Sur.f 31.872.849 (80%). De teruggang van
de uitvoer in 1950 vergeleken bij die in 1949 moet in belang-
rijke mate worden toegeschreven aan de stagnatie van de export
naar Europa, tengevolge van de devaluatie van de Europese
munteenheden in September 1949.








-14-


De Nederlandse Antillen.

De Nederlandse Antillen behoren tot het Caraibische ei-
landengebied. Zij zijn ongeteld enkele zeer kleine bijbe-
horende eilandjes, zes in getal en worden gemeenlijk onder-
scheiden in de Benedenwindse en de Bovenwindse eilanden. Deze
aanduidingen zijn ontstaan door hUt feit dat zij resp. beneden
en boven het windgebied van de noordoost-pasmat liggen.
De Benedenwindse eilanden Curacao, Aruba en Bonaire -
liggen in de Caraibische Zee, wonder de kust van Venezuela.
De Bovenwindse eilanden Sint Eustatius, Sint Maarten en
Saba liggen noordelijker, op de grens tussen de Caraibische
Zee en de Atlantische Oceaan.
De oppervlakte dezer eilanden is als volgts Curagao 425
vierk, km., Aruba 175 vierk.km., Bonaire 265 vierk.km., Sint
Maarten (het Nederlandse gedeelte) 40 vierk.km., Sint Eustatius
21 vierk.km-., en Saba 13 vierk. km, Tezamen met de kleine
bijbehorende eilandjes beslaan de Nederlandse Antillen dus
een total oppervlakte van 947,2 vierk.km,
Historic.

In het jaar 1492 ving Columbus zijn ontdekkingsreizen aan.
In dat zelfde jaar zou hij, volgens overlevering, reeds langs
Saba zijn gevaren, maar dit wordt nergens bevestigd. Wel kwam
hij in het daarop volgend jaar langs Sint Maarten, welk eiland
hij noemde naar de heilige op wiens feestdag deze gebeurtenis
plaats vond. Ook Sint Eustatius is op die wijze aan zijn naam
gekomen. De namen der Benedenwindse eilanden zijn vermoedelijk
van Indiaanse oorsprong.
Het eerste eiland waarop de Spanjaarden toen in dat
gebied de pioniers van Europa zich vestigden, was Cura9ao.
Hoewel dit eiland reeds sinds 1499 bekend was, vond die ves-
tiging eerst plaats in 1527. De Spanjaarden bleven er ruim
honderd jaar; zij leefden er samen met een klein aantal India-
nen de oorspronkelijke bewoners van de Antillen en deden
er o.a, aan veeteelt.
In 1634 landde op Curagao Joannes van Walbeeck die door

-de-







-1 5-


de West-Indische Compagaie aan het hoofd van een vloo-t naar
deze streken was gezonden. De tegenstand der Spanjaarden was
slechts gering; zij werden met hun Indiaanse slaven naar het
vasteland overgebracht.
De Nederlandse bezetting van Curagao had niet alleen ten
doel op het daartoe uiterst gunstig gelegen eiland een mari-
tiem steunpunt te vestigen, maar ook om er een handelspost in
te richten. Door Joannes van Walbeeck werden inmiddels ook
Aruba en Bonaire bezet.
De bezetting der Bovenwindse eilanden geschiedde in de-
zelfde period, of, om duidelijker te zijn, zij geschiedde
van 1625 af, waarbij de Nederlanders in de daarop volgende
jaren door Engelsen en Fransen werden afgewisseld. Eerst na
1640 kwamen deze eilanden vaster in Nederlandse handen; in
1648 werd nog een overeenkomst met de Fransen gesloten waarbij
het eiland Sint Maarten tussen Nederland en Fran'krijk werd
verdeeld.
Curagao verkreeg zijn betekenis als handelspost doordat
de Spanjaarden voor de door hen in de nieuwe wereld ingevoer-
de suikercultuur arbeiders nodig hadden. De Indiaanse bevol-
king was voor de arbeid op de suikerplantages minder geschikt
gebleken, en daarom werden uit Afrika negerslaven aangevoerd.
Curacao werd daarbij een belangrijk tussenstation, zowel voor
de slavenhandel als voor de door omliggende landen benodigde
goederen.
Van de Bovenwindse eilanden won St.Eustatius in de acht-
tiende eeuw aan belangrijkheid als gevolg van het feit, dat
vandaar Europese goederen werden doorgeleverd aan de Noord-
Amerikanen, die tegen het Britse gezag in opstand warren geko-
men. Deze handel bleek uitermate winstgevend; de bevolking
van St.Eustatius nam snel toe, en het eiland kreeg de naam van
de "Gouden Rots". In 1781 echter werd het door de Engelsen
aangevallen, waarbij hun ruim tweehonderd schepen in handen
vielen, een aantal dat later nog toenam doordat men op het
eiland de Nederlandse vlag liet wapperen zodat vele schepen
der Noord-Amerikaanse opstandelingen die goederen kwamen halen,


-nietsvermoedend-








-16-


nietsveimoedend in de val liepen. St.Eustatius heeft zich
van deze door de Engelsen toegebrachte slag nimmer hersteld;
het is thans het dunst bevolkte eiland der Nederlandse An-
tillen.
Na de ontbinding der West-Indische Compagnie in 1791,
ontstond gedurende de woelige tijd, die in Europa aanbrak in
het Caraibische eilandgebied een verwarde toestand. Zelfs het
goed versterkte Curagao werd niet voor aanvallen gespaard.
Daarbij kwam nog de bijzondere moeilijkheid dat men daar niet
altijd wist met welk land Nederland al dan niet in oorlog was.
Zodoende heeft men zelfs in 1800 Engelse hulp binnengehaald
omdat men van Pranse zijde een aanval verwachtte, terwijl men
niet wist dat de Nederlandse Republiek een verbond met Frank-
rijk had gesloten, en Engeland dus in Europa Nederlands vijand
was.
De Engelsen kregen Curacao bij die gelegenheid overigens
nog niet in handen, en evenmin was dit het geval in 1805, toen
een Engelse. overval door de jonge Curagaose kapitein Louis
Brion werd afgeslagen. In 1807 echter konden de Engelsen de
Benedenwindse eilanden bezetten, en in 1810 ook de Bovenwindse,
waar het inmiddels ingestelde Franse bestuur verdreven werd.
De Engelse bezetting bleef tot 1815; na de vrede van
Parijs werden de eilanden aan Nederland teruggegeven.

Bevolking.

Het staat vast, dat voor wat de Benedenwindse e-ilanden
betreft, de Indianen de oorspronkelijke bevolking vormden.
Toen zij echter samen met hun Spaanse meesters door de Neder-
landers naar het vasteland.waren overgebracht,kwam een andere
bevolking daar op de duur voor in de plaats. Naast de Neder-
landers waren dit in de eerste plaats Afrikanen, die, oorspron-
kelijk voor de slavenhandel bedoeld, door verschillende oor-
zaken op Curagao achterbleven. Wanneer de vorming dezer be-
volkingsgroep is begonnen kan niet met juistheid worden opge-
geven. Wel is dat het goval met een andere groep: die der
oorspronkelijk Portugese Joden, waarvan de eersten in 1651


-op-








-17-


op Curagao aankwamen. Zij kwamen uit Brazilie, waar de Neder-
landers hun nederzetting bij Pernambuco niet langer konden
handhaven. Deze Portugees-Joodse bevolkingsgroep is tot op
heden op Curagao een belangrijke plaats blijven innemen.
De negerbevolking heeft zich daar voor een deel met blan-
ken vermengd.
Op Aruba in sterke mate en in mindere mate op Bonaire
hebben de autochthone Indianen, vermeerderd met rasgenoten
die van de vaste wal werden aangevoerd, zich net Spaanse en
Nederlandse kolonisten vermengd, en zodoende heeft zich op
deze beide eilanden een geheel ander volkstype ontwikkeld dan
op Curagao.
Of op de Bovenwindse eilanden oorspronkelijk Indianen heb-
ben gewoond is niet met zekerheid na te gaan. Wellicht zijn
zij daar voor kortere of langere tijd gevestigd geweest. Op
deze eilanden hebben zich overigens vroeger blanke, merendeels
Engels sprekende bevolkingsgroepen gevestigd, waarvan de af-
stammelingen nog steeds daar aanwezig zijn. Engels wordt op
deze eilanden Op de scholen als voertaal gebruikt. Op Saba
draagt de bevolking nog oud-Engelse en Schotse namen.
De bevolkingscijfero per 1 Januari 1951 luiden a.v.:
Curagao 102.206, Aruba 5-.205, Bonaire 5.079, Sint Maarten
1.533, Saba 1.375 en Sint Eustatius 970. Tezamen met de bevol-
king der kleinere bijbehorende eilanden maakt dit eem total
van 164.168.
De bevolking van Cura9ao en Aruba neemt door het aantrek-
ken van werkkrachten voor de daar gevestigde olie-industrieen
voortdurend toe; die der overige eilanden neemt daarentegen
af, daar vooral de mannen van die eilanden naar elders trekken
om werkgelegenheid te zoeken. Dit heeft mede tot gevolg, dat
op die eilanden een belangrijk vrouwenoverschot aanwezig is.
Het aantrekken van werkkrachten voor de olie-industrieen
op Curagao en Aruba heeft nog tot gevolg dat op deze eilanden
tientallen nationaliteiten vertegenwoordigd zijn.
Naar beleden godsdienst kan de bevolking worden onder-
scheiden in drie groepen: Rooms-Katholieken, Protestanten en
Joden. De onderscheiding naar social, culturele en zelfs

-naar-








-18-


naar ethnologische standard loopt met deze verdeling in vele
gevallen parallel. De grote bevolkingsgroep, die op Curagao
met negerbloed, en op Aruba en Bonaire met Indiaans bloed is
vermengd, is in hoofdzaak Rooms-Katholiek; zij omvat hoofdza-
kelijk de werknemers, hoewel deze groep haar vertegenwoordi-
gers ook wel degelijk in vele belangrijke functies heeft. De
Protestantse groop, hoofdzakelijk afstammelingen van blanke
kolonisten, heeft zich een plaats verworven in het openbare
even zowel als bij handel en industries. De Joodse bevolkings-
groep neemt vooral in de handel een belangrijke plaats in.
Hoewel de officiele taal Nederlands is, wordt op de Bene-
denwindse eilanden in het gewone verkeer veelvuldig gebruik
gemaakt van het Papiamento, een spreektaal die voornamelijk
is ontleend aan het Portugees, en waarop Spaans, Nederlands,
Engels en zelfs Afrikaanse talen invloed hebben gehad.
Op de Bovenwindse eilanden zijn blank en gekleurd duide-
lijker afgescheiden; tengevolge van de daar vooral vroeger
heersende traditionele Engelse opvattingen trad aanzienlijk
minder vermenging op dan op de Benedenwindse eilanden het ge-
val is geweest.


Het onderwijs op de Nederlandse Antillen is voor een be-
langrijk deel bijzonder onderwijs, waarbij de katholieke scho-
len, in overeenstemming met de aanzienlijke numerieke meer-
derheid van de Katholieke groep, verre in de meerderheid zijn.
Daarnaast bestaan protestantse, openbare, en bijzondere neu-
trale scholen. Tezamen bedraagt het aantal dezer scholen 133,
waarvan 1 voor middelbaar, 25 voor M.U.L.O., 3 voor U.L.O. en
44 voor lager onderwijs, benevens ambachtsscholen en een
rechtsschool. Voorts zijn er cursussen voor de opleiding van
kantoor- en winkelpersoneel.
De kwaliteit van het onderwijs is zeer goed, en het
analphabetisme is gering, in procenten uitgedrukt zelfs lager
dan in de V.S.
Op de beide dichtst bevolkte eilanden Curacao en Aruba -
is een groeiend cultureel leven, dat door verscheidene vereni-
gingen wordt gestuwd. De in Nederland gevestigde Stichting


-voor-







-19-


voor Culturele Samenwerking, die contactpunten vindt in de
Culturele Stichting Curagao en een identieke stichting op
Aruba tracht daarbij stimulerend te.werken. Tevens dienen te
worden genoemd de kunstkringen op deze beide eilanden, die op
het gebied van het organiseren van tournees van kunstenaars
reeds lang baanbrekend werk hebbeh gedaan.
Overigens word, evenmin als in Suriname, de westerse cul-
tuur klakkeloos overgenomen. Ook hier is sprake van wisselwer-
king; de Nederlandse Antillen gaan in de richting van een
eigen culturele ontwikkeling, waarbij aan beinvloeding door
de omliggende eilanden van het Craraibische gebied niet valt
voorbij te gaan, evenmin als aan beinvloeding door het Zuid-
Amerikaanse vasteland (Venezuela).
Hoe sterk het culturele streven en de culturele belang-
stelling overigens reeds zijn, moge blijken uit de prestaties
van het Cura9aose Philharmonisch orkest, en uit de aanwezig-
heid van het zeer belangwek-kende Curagaose museum. Bovendien
verschijnen er een tweetal literaire periodieken. "De Stoep"
in de Nederlandse taal, en "Simadan" in het Papiamento.
Het streven om de volkscultuur en de volksontwikkeling
te stimuleren wordt in belangrijke mate gesteund door de aan-
wezigheid van een Volksuniversiteit,
Economic.

De economic van de Nederlandse Antillen wordt, zoals in
Suriname door de bauxiet, in zeer overwegende mate beheerst
door de olie-industrie. De gunstige ligging van de Beneden-
windse eilanden is namelijk aanleiding geweest voor de vesti-
ging van grote olie-industrieUn. de door de Shell gestichte
Cura9aose Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) op Cura-
aao, en de door de Standard Oil in het leven geroepen Lago Oil
& Transport Company op Aruba. Op dit laatste eiland bevindt
zich bovundien nog de aan de Shell behorende Arend Petroleum
Maatschappij.
Deze bedrijven verwerken (raffineren) ruwe olie, die van
het Zuid-Amerikaanse vasteland (Venezuela en Columbia) wordt
aangevoerd. Zij zijn thans, na die te Abadan in Iran, de

-grootste-







-20-


grootste ter wereld, Op Curagao worden rond 300.000 vaten per
dag verwerkt; op Aruba door de beide daar aanwezige bedrijven
tezamen 475.000 vaten. Gedurende de tweede wereldoorlog kwam
60% der door de geallieerde legers benodigde olie van Aruba
en Cura9ao.
Op Curagao zijn rond 10,000 arbeiders bij de olie-industrie
werkzaam; op Aruba omstreeks hetzelfde aantal,
Na de olie vormt, althans op Curaaao en Aruba, de handel
'de voornaamste bron van inkomsten. Gedeeltelijk is deze
import- en gedeeltelijk ook doorvoerhandel. Het feit dat de
faciliteiten der havens van beide eilanden aanmerkelijk better
zijn dan die van vele havens in de omtrek geeft vooral de
doorvoerhandel een krachtige steun. Beide eilanden hebben
bovendien goede luchthavens.
Tezamen hebben de havens van Curagao en Aruba een grotere
scheepsbeweging dan de haven van New York, en elk van deze
havens zet meer om dan de haven van Amsterdam, In ieder der
beide havens komen per jaar omstreeks 10.000 schepen binnen,
De bodemrijkdom van de Nederlandse Antillen is gearing.
Op Curagao wordt op verschillende plaatsen fosfaat gewonnen,
Vroeger leverde Aruba fosfaat en bovendien goud, dat daar in
bescheiden hoeveelheden werd aangetroffen. Tenslotte komt op
Saba in exploitabele hoeveelheden zwavel voor, maar met de
ontginning daarvan is nog niet begonnen.
Wat de landbouw betreft, deze heeft op de Nederlandse
Antillen een niet onbelangrijk verleden. De Bovenwindse eilan-
den produceerden vroeger suiker, tabak en katoen, terwijl ook
op Curagao wel suiker werd verbouwd. De plantages zijn nu in
verval en spelen nagenoeg geen rol in het economische leven.
Het verloop van werkvolk dat vooral door de hoge lonen
naar de olie-industrieUn werd getrokken, is een der voornaam-
ste oorzaken dat de plantages thans verlaten zijn, Wat er op
de Nederlandse Antillen nog aan landbouwproducten wordt ge-
wonnen is in hoofdzaak voor het eigen gebruik der b.evolking
bestemd. Slechts de Bovenwindse eilanden, waar de regenval
groter is en de klimatologisohe omstandigheden dus iets


-gunstiger-








-21-


gunstiger zijn, leveren tuinbouwgewassen en hooi aan de
Benedenwindse eilanden, Ook wordt enig vee geexporteerd,
Pogingen om de landbouw te verbeteren worden in het werk
gesteld: Zo zijn op Sint Eustatius na de oorlog wonder leading
van Nederlandse boeren twee landbouwbedrijven opgezet, De
verbindingen met de buiten het eiland gelegen markten behoeven
echter nog verbetering, Ook is op Sint Elstatius wonder Neder-
landse leading een veeteeltbedrijf in het even geroepen,
Een niet onbelangrijke bron van inkomsten wordt en dan
in het bijzonder voor Curapao gevormd door het toeristen-
verkeer, terwijl voor Aruba op dat gebied zeker een toekomst
lijkt weggelegd.
Verbindingen met Europa, Noord- en Zuid-Amerika worden on-
derhouden door de KonoNedStoomboot Maatschappijo Ook buiten-
landse lijnen doen regelmatig Cura9ao aan, De K,L.M. heeft
op de Nederlandse Antillen een omvangrijk bedrijf opgebouwd:
behalve diensten op Europa, Noord- en Zuid-Amerika ook op
Suriname bestaan er regelmatige luchtverbindingen met
Aruba, Bonaire en Sint Maarten,

In- en Uitvoeroijfers
De invoercijfers voor Curacao waren in de jaren '49 en '50:


1949
aardolie Cf5115370,0000
consumptie-artikelen .27.925o000
manufacture 18o958.000
machinerieen e.do 14.529,000
overige artikelen 66,335,000
Totaal Cf.439,117,000
De uitvoercijfers voor Curagao over deze
aardolieproducten Cf,305,972,000
cansumptie-artikelen 2,974o000
manufacture 1,187,000
machineriegn e.d, .418,000
overige artikelen _7,28 t,000'
Totaal Cf.317o836,000


1950
Cf,382,352,000
26,696,000
14.889,000
11,420,000
"_ _56778.000'
Cf.492,135.000
jaren warren:
Cf,414.060.000
2,228,000
612,000
603,000
9.072.000
Cf.426,575,000


-Voor-







-22.-


Voor Aruba waren de invoercijfers:
1949
aardolie Cf.471j128,000
Consumptie-artikelen 15.658,000
manufacture 7,610,000
machinerieen ed, 5.9041000
overige artikelen 34_805,.000
Totaal Of,534.805.000
De uitvoercijfers voor Aruba waren:
1949
aardolieproducten Cf.486,866,000
consumptie-artikelen 2.622o000
manufacture 1,008.000
machineriegn ed, 160,000
overige artikelen 5.019,000
Totaal Cf.495.675.000


1950
Cf,582,523,000
" 16,834,000
" 7252.000
4.2533000
L2__ A15.000
Cf,,641.257,000


1950
Cf,608.777o000
" 2.091,000
" 806.000
" 335,000
" 3 95505,000
Cfo615,534,000


Hcewel in total meer werd geimporteerd dan geexporteerd
heeft dit touch geen tekort op de betalingsbalans tengevolge
gehad, aangezien de in- ~n uitvoer ran aardolie, aardolie-pro-
ducten en van het grootste deel der machinerieen werd verre-
lsnd via de buitenlandse kantoren der op Curagao en Aruba ge-
vestigde oliemaatschappijen, Wanneer dus deze goederen buiten
beschouwing worden gelaten, wordt de rest van het invoersaldo
meer dan volledig gedekt door de transfers naar de Antillen
ten behoeve van de exploitatie der olie-industrieUn, en door
inkomsten uit hoofde van dienstverlening door de havens,







-23-
Nederland,

Nederland, ontstaan in het uitmondingsgebied van drie gro-
te rivieren (Rijn, Maas en Schelde) heeft door alle eeuwen
heen een zware strijd gevoerd tegen het water. Door indijking
en droogmaking werd een groot deel van het land 40% ge-
wonnen. Eeuwenlang going dit uiterst langzaam, omdat technische
hulpmiddelen ontbraken. In later tijd droeg de groei der tech-
niek er toe bij dat men sneller en met groter success tegen het
water kon optreden. Zo ondernam in de zeventiende eeuw de
waterbouwkundige Leeghwater een geslaagde poging om met behulp
van windmolens het merengebied in Noord-Holland droog te leg-
gen. Sindsdien zijn tal van grote werken uitgevoerd; het laatst
de drooglegging van de Zuiderzee, waardoor Nederland werd uit-
gebreid met de landwinningen Wieringermeerpolder (20,000 ha)
en Noordoostpolder (48,000 ha), Twee polders, de Zuidoostpolder
(95.000 ha) en de Zuidwestpolder (56,000 ha) zullen nog wor-
den drooggelegd, en zodra dit werk zal zijn voltooid aan de
Zuidoostpolder wordt reeds gewerkt zal Nederland door de
drooglegging van de Zuiderzee een landuitbreiding van bijna
200.000 ha hebben ondergaan.
Slechts in het deel van Nederland dat boven de zeespiegel
light, n.l. het oosten en het zuidoosten, wordt het overvloe-
dige water langs natuurlijke weg door riviertjes en kanalen
afgevoerd. In het overige deel van het land, dat beneden de
zeespiegel ligt het laagste punt zelfs 6.61 m moet het
water kunstmatig worden afgevoerd door middel van windmolens
of door stoom- motor- of electrische pompinstallaties.

Bevolking.

Nederland heeft een oppervlakte van 32.400 km2 en telt
ruim 10,3 million inwoners. Door het hoge geboortecijfer
(in 1951 22,3 per 1000 zielen) en mede dank zij de goede
hygienische toestanden en de ver strekkende social zorg -
het lage sterftecijfer (In 1951 7,6 per 1000 zielen), is de
jaarlijkse bevolkingsaanwas ruim 125.000. De bevolkingsdicht-
heid bedroeg op 1 Januari 1952 319 per km2, hetgeen betekent

-dat-







-24-


dat Nederland het dichtst bevolkte land van Europa is, De
meeste inwoners vindt men in de province Zuid-Holland, de
minste in de province Drente.
Elf steden tellen meer dan 100,000 inwoners, tw. Amster-
dam (851.000), Rotterdam (691.000), ;s-Gravenhage, residentie
en zetel der Regering (579.000), Utrecht 196.000), Haarlem
(165.000), Eindhoven (146.000), Groningen (138.000), Tilburg
(124.000), Nijmegen (114.000), Enschede (111.000) en Arnhem
(109.000).

Scheepvaart en handel

Nederland is vanouds een zeevarende mogendheid geweest,
Door zijn central ligging aan zee tussen Noord- en Zuid-Euro-
pa heeft Nederland zich reeds in de Middeleeuwen toegelegd op
de scheepvaart en meer in het bijzonder op de vrachtvaart. Koren
van de Oostzee voerden de Nederlanders naar het Middellandse
Zeegebied en tropische en sub-tropische producten brachten zij
mee terug. Al vroeg golden zij als de "vrachtvaarders van
Europa", en nog in deze tijd is de scheepvaart een der belang-
rijkste middelen van bestaan, Ook voor de West is de oceaan-
vaart van Nederland van veel betekenis, daar een groot percen-
tage van de passagiers- en vrachtvaart op de West verzorgd
wordt door Nederlandse zeevaarders.
De zeehavens, toegangspoorten tot het dichtbevolkte ach-
terland, zijn uitgegroeid tot machtige goedereniepots, met
zeer moderne haveninrichtingen voor de snelle verscheping van
goederen uit de zeeschepen in binnenvaartschepen en de lange
small Rijnaken. De belangrijkste haven is Rotterdam, de groot-
ste van het continent en de derde van de wereld, door de
Nieuwe Waterweg met de Noordzee verbonden.
Voor de oorlog nam de Nederlandse koopvaardijvloot met
een bruto-tonnage van 3 million de zevende plaats in wonder
's werelds handelsvloten. Toen de oorlog uitbrak waren weinig
schepen in het moederland, zodat het grootste deel ten dienste
kon komen van de geallieerde oorlogsvloot. De verliezen in die
jaren waren groott Nederland verloor de helft van zijn koop-
vaardijvloot. Met het oog op de importantie van de scheepvaart

-voor-







-25-


voor de nationale-welvaart, heeft men er alles op gezet tot
een zo spoedig mogelijk herstel te komen. In Juni 1947 nam
Nederland reeds weer met haar tonnage de voor-oorlogse plaats
in wonder de zeevarende mogendheden. Op 1 Januari 1952 was de
Nederlandse koopvaardijvloot, zowel wat het aantal schepen
als de total bruto tonnage betreft, groter dan voor de oorlog.


Industrie.

Met het karakter van de vroegere vrachtvaart en overzeese
handel hangt het ontstaan van verschillende taken van indus-
trie in Nederland ten nauwste sament de scheepabouw, de touw-
slagerij en de verwerking van tropische producten uit Dost en
West. In de 19e eeuw gaf de uitvinding van de stoommachine,
zoals overall elders ter wereld met andere politiek-economi-
sche factoren de stoot tot verdere industrialisatie, welke
een zo hoge vlucht nam dat in 1939 30% van het national inkomen
uit de industrie voortkwam; een industries, die aan 39% van
werkend Nederland arbeid verschafte.
Thans bestaan er dringende redenen voor nog intensievere
industrialisatie. De bevolking neemt snel toe en de bodem is
vrijwel geheel gecultiveerd. Een ruimere ontwikkeling van de
industries biedt naast emigratie vrijwel de enige bestaans-
mogelijkheid.
Daarnaast dient ten compensate van verloren gegane bron-
nen van inkomsten in het buitenland (om. kleiner effectenbe-
zit) door een grotere industriele productive een uitbreiding
van de Nederlandse uitvoer tot stand te worden gebracht. Er
zijn echter vele moeilijkheden te overwinnen. De oorlog heeft
een groot tekort aan grondstoffen tengevolge gehad. De weder-
opbouw van verwoeste fabrieken ondervond door het tekort aan
bouwmaterialen een langzamer voortgang dan vaak gewenst wordt
geacht. Ondanks deze moeilijkheden steeg het productie-index-
cijfer (stelt mn.n 1938 op 100) van 56 aan het einde van 1945
tot 125 in Juli 1949. Medio 1951 verschaften 10509 bedrijven
- de metaalindustrie, de electrotechnische industries met zijn
gloeilampen, radio's en technische apparaten, de chemische


-industrie-









-26-


industries, de Amsterdamse diamantindustrie, de vervaardiging
van pbarmaceutische production, textiel, glas, porcelain en
aardewerk, sigaren, ochoenen, paper en. voedingsproducten,
- om onkele van de meest bekende te noemen -, aan 882000 per-
sonen werk.
Alle talent van industrie kunnen profiteren van de weten-
schappelijke resultaten van.het T.No0. (het Instituut voor
Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoak), dat in meer dan
30 laboratoria ieder onderdeel der technische wetenschap ten
bate van de industries bestudeert,


Over het algemeen is in Nederland sprake van verwerkende
industriezn; er heeft invour plaats van grondstoffen en half-
fabrikaten en uitvoer van hooggekwalificeerde eindproducten.
Nederland bezit een zware industries van beperkte omvang. Dit
is begrijpelijk als men in aanmerking neemt, dat er nagenoeg
geen delfstoffen worden gevonden. Doch van hetgeen aanwezig is,
wordt een intensief gebruik gemaakt. In Zuid-Limburg liggen
steenkolenmijnen, die zeer modern van inrichtiig zijn en tot
de best geexploiteerde ter wereld behoren, De mijn "Maurits"
in Lutterade is de grootste van Europa. Nadat de productive
- voor de oorlog 13 million ton per jaar gedurende da oor-
log sterk was gedaald, is deze gestegen tot ruim 12 million
ton in 1951. Ean deel van de steenkool gaat als cokes naar
IJmuiden, waar de hoogovens liggeno Het door de hoogovens uit
gelmporteerde ertsen vervaardigde ruw ijzer wordt deels geex-
porteerd en deels door de Noderlandse metaalindustrie verder
verwerkt tot halffabrikaten en eindproducten.
In Boekelo (Overij-ssel) is men sedert de laatste tien
jaren met de ontginning dur zoutlagen in de bodem begonnen,
welke in 1951 481,000 ton opleverde. Ongeveer 300.000 ton hier-
van werd uitgevoerd. lets Noordelijker, in Zuid-Drenthe, wint
men mineral olie, waarmede men voor circa 25% in eigen gebruik
kan voorzien.

-Economische-








-27-"


Economische en financial
yroblemen,

Tenslotte volge nog een kort overzicht van de economische
en financiOle problemen, xvelke zich op het ogenblik in Neder-
land als belangrijk aandienen, hoe zij zijn ontstaan en in
welke richting naar een oplossing wordt gezocht,
Aangeziun de welvaart van een land in principle bepaald word
door de mate, waarin het door eigan productive zich v'n goederen
weet te voorzien, kan opgemerkt worden, dat Nederland voor de
oorlog op dit punt in een gunstige positive verkeerde. Het
heeft zich immers een hogere import kunnen veroorloven dan
overeenkwam met de omvang van voor uitvoer beschikbare goede-
ren. De goedereninvoer bedroeg n.l. gedurende de laatste jaren
voor de oorlog circa f 1,5 milliard per jaar, welk( bedrag
voor circa f 1 milliard werd gedekt door export. In 1938, het
laatste normal jaar voor de oorlog, beliep de invoer f 1456
million, waartegenover een export stond van f 1086 million.
Van deze invoer was 22% afkomstig uit Duitsland, 11% uit Bel-
gie, 10% uit de Verenigde Staten van Amerika, 8% uit Engeland
en 7% uit Indonesia. De voornaamste exportlanden waren Groot-
BrittanniU 23%, Duitsland 15%, Belgiu 10%, IndonesiU 9%,
Frankrijk 6% en de Verenigde Staten van Amerika 4%.
In 1938 bedroeg het importsaldo f 370 million. Dit nad3-
lige saldo op de handulsbalans kon echter ruimschoots worden
gefinancierd uit de opbrengsten van beleggingen in het buiten-
land, alsmede uit de inkomsten uit dienstverlening aan het
buitenland. De opbrengsten van in het buitenland geinvesteerde
kapitalen bedroegen n.l. in 1938 netto f 270 million en de
baton uit de zeescheepvaart, de binnenvaart en het doorvoer-
verkeer f 232 million. Diverse andere posten van de betalings-
balans, waaronder het reizigersverkeer, vertoonden tezamen een
nadelig saldo van f 65 million. Doch daartegenover stonden
weer belangrijke baten uit de transitohandel en driehoekshan-
del, waarvan de omvang ni-,t nauwkeurig bekend is. In de loop
der jaren hadden de international handel en scheepvaart voorts
grote budragen naar Nederland doen vloeien. Als regel ontston-
-den-








-28-


den hierdoor overschotten aan deviezen op de betalingsbalans,
die in het buitenland warden belegd en op hun beurt weer in-
komsten afwierpen. In 1938 werd het total der bedragen, dat
op deze wijze in het buitenland was belegd, geraamd op round
f 5 milliard, exclusief hetgeen in Indonesil was geinvesteerd.
Na de oorlog is aan deze situatie evenwel een einde ge-
kom:n. De exportcapacituit van hot Nederlandse bedrijfsleven
in zijn verschillende sectoren was door de oorlog aanvanke-
lijk aanzienlijk verminderd. Het percentage van de invoer,
dat na de oorlog door uitvoer kon worden gedekt, vertoonde der-
halve een scherpe terugval.
De inkomsten uit beleggingun, de tweede belangrijke steun-
pilaar van de betalingsbalans, vrrminderden eveneens door li-
quidatie van een deel van het effectenbezit. Verder had de
ineenstorting van Nedorlands achterland, Duitsland (vooral het
Roergebied) het doorvoerverkeer tot ten onbetekenonde omvang
doen teruglopen. De bijdrage, welke het verkeer met Indonesia
tot de betalingsbalans leverde, was uiteraard evenzeer in
sterke mate verminderd. Tenslotte ondervonden de diverse overi-
ge inkomsten uit international dienstverlening een terugslag
van het lagere peil der economische activiteit. Daartegenover
stond een grote invoerbehoefte.
Dat wonder deze omstandigheden aan de traditionele kapi-
taalexport een einde kwam, behoeft geen nader betoog.
In de eerste jaren na de oorlog heeft de importbehoefte
een volkomen abnormaal karakter gedragen. En ook tot voor kort
was het invoervolume een veelvoud van voor de oorlog. Dit be-
tekent derhalve, dat Nederland niet in staat was uit eigen
middelen de benodigde importen te financieren.
Het wegVallen van buitenlandse inkomstenbronnen vergde
een uitbreiding van de national productive, opdat langs deze
weg compensate voor deze verliezen wordt verkregen. :ede
dank zij de verkregen hulp van het buitenland is hLt Neder-
landse volk erin geslaagd in de jaren, die sedert het einde
van de oorlog zijn verstreken, de productive regelmatig op te
voeren. Het productie- en verkeers-apparaat is wter tot zijn
omvang van 1938 uitgebreid on het heeft op sommige punten deze
-zelfs-







-29-


zelfs ovcrtroffen. In Juli 1949 bedroeg het algemeen produc-
tie-indexcijfer 125 (basisjaar 1938 = 100), en in 1951 werd
een peil bereikt dat 45/ boven dat van 1958 lag.
Over het algemeen hooft het exportbedrag zich in verband
met het herstel in stijgende lijn kunnen bewegen, terwijl de
invouren niet in dezelfde mate zijn toegenomen. In 1949 was
het tekort op de betalingsbalans relatief laag.
De goedereninvoer voor 1949 bedroeg f 5297 million en
de uitvour f 3794 million. Het dekkingspercentage van de in-
voer door de uitvoer bereikte weer het vooroorlogse niveau.
Opvoering van do productive en van de export bleef ovenwel
noodzakelijk. Het uitbreken van het conflict op Korea bracht
een tijdelijke wending in de gunstige ontwikkeling. Doordat
o.a. de prijzen van do ingevoerde goederen meer stegen dan die
van de uitgevoerde production, vertoonde het betalingsbalanste-
kort in 1950 een belangrijke toenuming tot ruim 1 milliard.
Door verdere vergroting van de uitvoer en een vrrmindering
van de invoer was de situatie in 1951 aanmerkelijk gunstiger
zodat voor dit jaar een practisch sluitende betalingsbalans
mag worden verwacht.
De regeringsmaatregelen tot verkleining van het betalingsba-
lanstekort, de vermindering van de aankopen van het publiek
en het intern op voorraden bij het bedrijfslven, warren in
hoofdzaak voor dit verschijnsel verantwoordelijk. De bdperkin-
gen, die door de regeringsmaatregelen zowel in het verbruik
als in du investeringen zijn tot stand gebracht, blijven
noodzakelijk om de hogere defensie-uitgaven te kunnon finan-
cieren en tegelijkortijd, de industrialisatie, welke noodza-
kelijk is voor hut scheppen van werkgelegenheid Voor de groei-
ende beroepsbevolking, voortgang to doen vinden, zondur het
financiele on monetaire evenwicht to verstoren. Nederland is
voor het uitbraidun van zijn productio-apparaat en voor het
op p~il houden van zijn levdnsstandaard, metr nog dan voor de
oorlog, aangewezen op goederen, die met dollars moeten worden
botaald. Het is dus begrijpolijk, dat do op 1 April 1948 aan-
gevangen Marshallhulp een belangrijke bijdrage vormde voor de


-rehabilitatie-








-30-


rehabilitate. Een vergroting van de dollarinkomsten blijft
in verband met de vermindering van de Amerikaanse hulp nood-
zakelijk.
Tot slot zij nog gememoreerd, dat Nederland internatio-
naal met vele landen nauw samenwerkt om tot een oplossing van
de na-oorlogse financieel-economische problemen te komen.
Allereerst zij genoemd het gezamenlijk streven met Belgi' en
Luxemburg om tot een economische unie te geraken. Ten tweede
de West-Europese economische samenwerking, die in de Atlanti-
sche samenwerking van Amerika en Canada met West-Europa een
politieke steun vindt voor eenzelfde samenbundeling van krach-
ten. Tun derde de samenwerking van de landen, die hot
Schuman-verdrag hebben ondertekend.





























Landbouw -







-31-


Landbouw

De natuurlijke omstandigheden in Nederland zijn van die
aard, dat de landbouw zich ondanks de voortschrijdende indus-
trialisatie een onmisbare plaats in de volkshuishouding heeft
verworven, Klimaat, bodemgesteldheid en vakmanschap zijn de
drie pijlers, waarop agrarisch Nederland rust en die samen met
een zich steeds uitbreidende activiteit op het gebied van we-
tenschappelijk onderzoek, onderwijs en voorlichting een voort-
durende stimulans geven voor de verdere intensivering van de
bedrijfsvoering in land- en tuinbouw. Deze ontwikkeling moet
uitermate gunstig worden geacht, gezien de bijzondere structuur
van de national economic. De krachtige bevolkingsgroei gaat
gepaard met een toenemende behoefte aan levensmiddelen; met
uitzondering van broodgraan, krachtvoeder voor de veestapel
en vetten is de Nederlandse landbouw in staat gebleken de bin-
nenlandse voorziening volledig voor zijn rekening te nemen.
Zelfs is het mogelijk, dat de land- en tuinbouw jaarlijks ge-
middeld voor een waarde van f 2 milliard aan producten uit-
voeren, hetgeen ongeveer de helft is van de total exportwaar-
de. Deze bijdrage in de export is voor Nederland van groot
belang, aangezien zij de mogelijkheid schept, de betalingsba-
lans, die zwaar wordt belast tengevolge van de voor industridle
verwerking noodzakelijke import van grondstoffen, in evenwicht
te houden.
Ook al tengevolge van de bevolkingsdruk overweegt het
kleinbedrijf in de landbouw. Ongeveer 80% van de bedrijven be-
schikt over een oppervlakte, die minder dan 10 ha bedraagt.
Lage kostprijzen en hoge kwaliteit van de producten leiden
echter tot een vermindering van de economische kwetsbaarheid
van deze bedrijven. De productiviteit van de Nederlandse land-
bouw is de hoogste ter wereld. De gemiddelde opbrengst van
tarwe bedraagt 3400 kg per ha, van rogge 2500 kg, van consump-
tieaardappelen 28,500 kg en van suikerbieten 41.000 kg. Het
hoge kunstmestverbruik stikstof gemiddeld 56 kg per ha, kali
60 kg per ha, phosphaat 51 kg per ha maakt deze hoge op-
brengsten mogelijk. De melkgift per koe per jaar is van
3.480 kg als gemiddelde over de jaren 1936 1938 opgelopen
-tot-







-32-


tot 3.700 kg in 1951. Het melkvetgehalte in de overeenkomsti-
ge period van 3,36 tot 3,66%. De productive van eieren per
kip is van 150 eieren als jaargemiddelde v66r 1940 toegenomen
tot 170 eieren in 1951.
Tuinbouw.

De gunstige geografische ligging van Nederland (zeehavens
en snelle verbindingen met het Europese achterland) heeft er-
toe geleid, dat de teelt van groenten, fruit en bloemisterij-
gewassen reeds eeuwen geleden is bevorderd. Belangrijke cen-
tra zijn voor groententeelt Zuid-Holland (Westland) en de kop
van Noord-Holland, voor fruitteelt (Zeeland, West-Brabant, Lim-
burg en de Betuwe) en voor de sierteelt Aalsmeer en Boskoop,
laatstgenoemde hoofdzakelijk voor boomkwekerijgewassen. Onge-
veer 133.000 ha cultuurgrond, dat is 5,7% van de total opper-
vlakte cultuurgrond, wordt door de tuinbouw in beslag genomen.
De total productiewaarde van de tuinbouw bedraagt jaarlijks
ruim f 500 million, hetgeen ruim 8% is van de total agrari-
sche productiewaarde. Hieruit blijkt de graad van intensivering,
die de Nederlandse tuinbouw heeft bereikt.
De jaarlijkse exportwaarde van tuinbouwproducten bedraagt
gemiddeld f 350 million.
Veeteelt.

Ruim 1.300.000 ha cultuurgrond in Nederland is grasland.
Hier graast het beroemde Nederlandse vee, dat zich hoofdzake-
lijk naam heeft verworven als producent van kwaliteits-zuivel-
producten. De productiviteit van het Nederlandse rundvee wordt
overall ter wereld hoog geroemd, Het voortreffelijk werk van
de stamboekverenigingen heeft tot resultaat gehad, dat het
Nederlandse fokvee in verschillende landen Itali', Engeland,
Duitsland, Zuid-Amerika wordt ingevoerd ter verbetering van
de eigen veestapel. Ook in Indonesil kent men reeds in de koe-
le bergstreken het Nederlandse stamboekvee. Behalve van rund-
vee staat in Nederland ook de fokkerij van trekpaarden, scha-
pen en varkens op hoog niveau. Het Texelse schapenras bijvoor-
beeld wordt als producent van vlees en wol in Australid gelm-


-porteerd-








-5533-


porteerd ter vioetering van het eigen schapenras, De runLdvoc--
stapel bedraagt in total bijna 3 million stuks, waarvan de
helft uit melkkoeien bestaat, de varkensstapel bedraagt ca. 2
million stuks, De exportwaarde van veehouderijproducten be-
droeg in 1950 f 1.070 million, dat is dus meer dan de helft
van de total agrarische exportwaarde.

Visseri

Nederlands bestaan wordt voor een goed deel bepaald door
het water. Niet alleen echter door de strijd tegen het water,
de zee was ook menigmaal onze bondgenoot. Zij bracht het Ne-
derlandse yolk tot de visserij, later tot de scheepvaart en de
handel. De visserij was in vroeger eeuwen een belangrijke
bron van welvaart, thans neemt Nederland wonder de Vest-Europe-
se visserijnaties de zevende plaats in. Grote bloei beleefde
de Nederlandse visserij na de uitvinding van het haringkaken,
waardoor het mogelijk werd de haring zodanig te conserveren,
dat een belangrijke exporthandel in gezouten haring kon ont-
staan. Nog heden ten dage is de Nederlandse haringvisserij
voornamelijk op de export ingesteld. Ten tijde van de grote
bloei van de haringvisserij (17e eeuw) sprak men over de "grote
visserij", wanneer men de haringvisserij bedoelde in begen-
stelling tot de walvisvangst, die met de "kleine visser-ij"
werd aangeduid. Na deze grote bloeiperiode heeft Nederland
zich, mede doordat de walvis in de Noordelijke IJszee practisch
uitgeroeid was, van de walvisvangst teruggetrokken. Na een
mislukte poging in 1870 is Nederland zich pas in 1946 daar-
toe genoopt door het vettekort op de wereldmarkt weer ernstig
gaan bezighouden met de walvisvangst, ditmaal in de Zuidelijke
Antarctische wateren. Ondanks de oorlogsverliezen aan schepen
heeft de Nederlandse haringvisserij haar v66roorlogse peil
weer bereikt. In 1948 werd een ongekende aanvoer van 92- mil-
lioen gezouten haring genoteerd met een waarde van bijna 34
million gulden. In 1938 bedroeg de aanvoer 74- million kg
gezouten haring met een waarde van 6,8 million gulden. De
total aanvoer van vis beliep in 1948 258 million kg met


-een-







-34-


een waarde van 90 million gulden, De betekenis van de haring-
visserij komt uit deze cijfers duidelijk naar voren, vooral
als men bedenkt, dat er per jaar ook nog ongeveer 50 millioen-
kg verse haring aangevoerd wordt. Grote bekendheid, vooral in
het buitenland, geniet de Zeeuwse oester, een product, dat
dank zij een doeltreffende cultuur een ware delicatesse is.

Verkeer.

Een klein land met een dichte bevolking moet noodzake-
lijkerwijze alle hulpmiddelen en voordelen van.zijn geografi-
sche ligging en geologische gesteldheid uitbuiten, wil het
zijn bevolking een bestaansmogelijkheid verzekeren. Nederland
heeft ook de handen uit de mouwen moeten steken en de natuur
op vele plaatsen moeten corrigeren om het huidige welvaarts-
peil te bereiken. De aan zee en rivieren onttrokken ground is
vruchtbaar, en uitermate geschikt voor land- en weidebouw,
maar mensenhand moet hem nog steeds aan het water betwisten.
Door de brede, goed bevaarbare waterwegen bezit Neder-
land een gemakkelijke verbinding met het achterland, hetgeen
de handel en de industries ten goede komt. Wel zeer in het
bijzonder is dit het geval ten aanzien van Nederlands water-
verbinding met het Duitse achterland. Het Amsterdam-Rijnkanaal
is, vooral sinds zijn verbreding en gedeeltelijke modernise-
ring geheel bij de meest moderne eisen aangepast. De nieuwe
verbindingstakken van Jutfaas naar Wijk bij Duurstede en van
Ravenswaay naar Tiel hebben hier zeer belangrijk toe bijgedra-
gen. Hoewel deze waterverbinding van grote economische beteke-
nis is voor heel Nederland, spring het eminente belang dat
Amsterdam bij deze verbinding heeft wel zeer duidelijk in het
oog, In dit verband moge worden vermeld de grootste binnen-
sluis van Europa, namelijk die bij Tiel; een staaltje van
modern technisch kunnen van de Nederlandse Rijkswaterstaat.
Een net van kanalen most tevens worden aangelegd om het
voordeel van het transport te water ook aan minder gunstig
gelegen delen van Nederland deelachtig te doen worden. En
daarnaast is de vlakheid van de bodem slechts een schijnbaar


-voordeel-








-35-


voordeel in het landverkeer. De aanleg van autowegen en spoor-
wegen op de drassige bodem, de bouw van grote bruggen over de
brede stromen hebben de inwoners vaak voor grote moeilijkheden
geplaatst.


Uiterst belangrijk is ook het scheepvaartverkeer ter zee
en op de rivieren, waarover hierbo.ven reeds in het kort ge-
schreven werd. Deze scheepvaart bracht met zich mee de con-
structie van havens, sluizen, kanalen, enz. De inrichting van
onze grote havens, de dokken, de sluizen van IJmuiden, de
Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, bevaarbaar voor de
grootste schepen, zijn er voorbeelden van, evenals de grote
scheepvaart-maatschappijen, die met hun vrachtschepen en
luxueuze passagiersschepen alle zeedn bevaren.
Toen de luchtvaart nieuwe banen voor het verkeer opende-,
wist Nederland op dit terrein eveneens een belangrijke plaats
in te nemen. Gewezen zij op de luchtverbindingen met Noord-
en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Indonesia.


Neerlands luchthaven Schiphol mag gerekend worden tot
een van de allerbeste ter wereld, waar men ter bevordering
van de veiligheid de meest moderne middelen toepast ter be-
vordering van de veiligheid in de lucht. Gememoreerd moge hier
worden dat in 1952 een begin zal worden gemaakt met de toe-
passing van het zogenaamde airways-systeem, een stelsel van
luchtkanalen of buizen, waarbij door middel van de allernieuw-
ste toepassing van radar vliegtuigen, als zij zich in de zoge-
naamde luchtcorridors in de richting van Schiphol voortbe-
wegen, reeds op het radar-scherm kunnen worden gevolgd op een
cirkelvlak met een straal van ongeveer honderd vijf en twintig
kilometer met Schiphol als middelpunt. Dat dit een aanzienlijke
vergroting van de veiligheid betekent zal zonder meer duide-
lijk zijn.
npoPder!ingen.
Een belang vanzeer grote betekenis wordt ook gevormd door
de exploitatie van de Noord-Oost-polder. Reeds enige jaren


-geleden-








-36-
geleden werd deze polder droog gelegd; het in cultuur brengen
ervan geschiedt op een volstrekt deskundige wijze en het nog
steeds toenemende aantal bezoeken van buitenlandse deskundigen
wijst op de grote waarde, die ook in het buitenland aan de
door ons toegepaste methoden wordt gehecht. De grootte van
deze polder is 48.000 H.A.


De reeds geruime tijd v66r het ontstaan van de Noord-Oost-
polder in exploitatie genommn Wieringermeer-polder is 28.000
H.A. groot. Ook de gronden van dze iets oudere polder zijn
buitengewoon vruchtbaar en dragen,een belangrijk steentje bij
tot de instandhouding van Nedorlands welvaart.


Reeds sinds geruime tijd is men bezig met de uitvoering
van belangrijke werken, dienende voor de tot-standkoming van
de Oosterpolder, die ongeveer 50,000 H.A. groot zal worden.
Zowel qua aanleg, als voor wat de wijze van ontginning der
gronden aangaat, worden ook hier de meest moderne methoden
toegepast. Over onguveer zes jaar hoopt men met het in cultuur
brengen van deze polder te kunnen aanvangen.


Deze .polders leveren, voor zover zij reeds tot stand ge-
komen zijn, een geweldige bijdrage tot verbetering van bijv.
Nederlands graanpositie, terwijl in het algemeen gesproken
- en dit zal in dt; toekomst nog duidelijker blijken Neer-
lands bevolking de onmiddellijke, gunstige invloed ondervindt
van de aloude Hollandse ondernemingsgeest, die reeds geruime
tijd geleden voorzag hoe groot de behoufte van Neerlands
steeds toenmeunde bovolking zou zijn aan de gronden, die nu
reeds gedeeltelijk zijn drooggulogd.

Wel heeft de oorlog op al deze gebieden Nederland bijna
onoverkomulijku slagon tougubracht; 229.000 ha land warden
door de bezetter ondur water gezet; haveninstallaties en
bruggen o.a. de imposante Moerdijkbrug warden verwoest;
het spoorwegmateriaal was grotendeels weggevoerd; de lucht-
vloot, zowel als de visserij- en koopvaardijvloot leden grote
verliezen; doch de wuderopbouwtaak is moedig aangovat. Met


-materiele-







-37-


materiele steun van het Amerikaanse "European Recovery Pro-
gram" is het Nederland gelukt door energieke arbeid en een
intensive exploitatie van de La-u.urlijke hulpbronnen, de
zwaarste oorlogsslagen te boven te komen,
Onderwijs erCul tuur,

Het onderwijs sluit zich aan bij de aard van het Neder-
landse volk; vrijheid is daarom van het Nederlandse onderwijs
het voornaamste kenmerk, Het geven zowel als het ontvangen
van onderwijs is vrij, d.w.z. dat de orders hun kinderen dat
onderwijs kunnen laten geven dat zij voor hen wensen. Door
aan het bijzonder onderwijs de nodige middelen te verschaffen
heeft de Regering deze vrijheid tot realiteit gemaakt, De
voorwaarden die op het leerplan betrekking hebben, de gesteld-
heid der onderwijsgebouwen en de bekwaamheid der onderwijs-
krachten zijn voor openbaar en bijzonder onderwijs gelijk.
Uit de vrijheid van onderwijs vloeit voort dat er een
groot aantal schooltypen en onderwijsmethoden zijn. Er is
geen central overheidsorgaan dat de schoolzaken leidt of be-
heert. Het openbaar onderwijs gaat uit van de gemeenten; het
bijzonder onderwijs gaat uit van verenigingen of instellingen.
Beschikken deze verenigingen of instellingen over het vereis-
te aantal leerlingen, dan ontvangen zij, wanneer het lager of
voortgezet lager onderwijs betreft, van de gemeenten automa-
tisch de kosten van de bouw der school, terw.il voor de exploi-
tatie een subsidieregeling bestaat. 3etreftlEt voorbereidend
hoger en middelbaar onderwijs, dan wordt een zelfde werkwijze
gevolgd, echter met dien verstande dat deze dan niet automa-
tisch werkt, en dat niet alle kosten volledig door subsidie
worden gedekt.
Aan de schoolbesturen, ongeacht of zij openbare dan wel
bijzondere scholen beheren, wordt zeer veel vrijheid gelaten.
De Minister van Onderwijs en zijn ambtenaren waken over de
naleving van de voorwaarden waarop aan bijzondere scholen
subsidie is verleend, doch zij onthouden zich van directed
bemoeienis. Ingeval het leerplan van een bijzondere school


-volgens-








-38-


volgens het inzicht der onderwijsinspectie niet aan de eisen
voldoet welke aan behoorlijk onderwijs zijn te stellen, dan
maakt niet de Minister van Onderwijs, maar een van hem volko-
men onafhankelijk lichaam, de Onderwijsraad, daarover zijn
inzicht kenbaar. Aan de uitspraak van de Onderwijsraad heeft
het bestuur der bijzondere school zich te onderwerpen.
De leerplicht omvat acht jaren. Zij vangt aan met de
leeftijd van even jaar. Hierbij dient te worden aangetekend,
dat voor het onderwijs dat v66r het bereiken van die leeftijd
kan worden gevolgd het z.g. kleuteronderwijs geen wette-
lijke regeling bestaat. Wel bevat de wet op het lager onder-
wijs enkele bepalingen voor dit kleuteronderwijs, maar deze
hebben voornamelijk betrekking op de gebruikte lokaliteiten.
Enkele hoofdinspecteurs en een aantal schoolopzieners houden
toezicht; hun bemoeiingen bepalen zich daarbij tot het geven
van adviezen. Er zijn in Nederland ruim 3000 scholen voor
kleuteronderwijs; zij worden bezocht door meer dan 300.000
leerlingen. Deze scholen zijn grotendeels particuliere instel-
lingen, al dan niet door de gemeenten gesubsidieerd. Slechts
55 van de ruim 1000 Nederlandse gemeenten bezitten openbare
kleuterscholen.
Begin 1951 bestonden in Nederland 2656 openbare lagere
scholen (incl. uitgebreid en voortgezet l.o.) met 380.458
leerlingen, en 5402 bijzondere lagere scholen, eveneens incl.
uitgebreid en voortgezet l.o., met 988.048 leerlingen, in
total dus 8357 lagere scholen met 1.368.506 leerlingen.
Buitengewoon lager onderwijs, d.w.z. onderwijs aan kinde-
ren in sanatoria, aan ziekelijke kinderen, kinderen met leer-
en opvoedingsmoeilijkheden en schipperskinderen, werd volgens
cijfers van Januari 1951 gegeven door 299 openbare zowel als
bijzondere scholen aan 32.914 leerlingen.
Onderwijskrachten voor lager onderwijs worden opgeleid
aan 22 Rijks- 3 gemeentelijke en 64 bijzondere scholen; zij
leiden gemiddeld 10.000 a.s. onderwijzerm en onderwijzeressen
op.
Wat betreft het voorbereidend hoger en middelbaar onder-


-wi j s-









-39-

wijs, dit werd over 1951 gegeven door 67 gymnasia, 139 hogere
burgerscholen, 107 lycea, 16 handelsdagscholen en 30 middel-
bare scholen voor meisjes, tezamen dus 359 scholen met
83.583 leerlingen,
Naast het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs
bestaat het nijverheidsonderwijs, dat opleidt voor ambacht,
industries, scheepvaart, huishouden, landbouwhuishouden en
vrouwelijke handwerken. De financiering geschiedt op dezelfde
wijze als bij het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs.
Het nijverheidsonderwijs telt een zeer gruot aantal onderwijs-
typenz naast de ambachsscholen bestaan verschillende vakscho-
len. De middelbare nijverheidsscholen worden onderscheiden in
technische scholen en kunstnijverheidsscholen. In total be-
schikte het nijverheidsonderwijs in Januari 1951 over 991
scholen met 258.861 leerlingen.
Voorts dienen te worden genoemd het landbouw- en tuinbouw-
onderwijs, dat zowel door special lagere en middelbare scho-
len als door verschillende cursussen wordt gegeven. Het land-
bouwonderwijs telde in 1950/51 1739 scholen en cursussen, met
38.460 leerlingen; het tuinbouwonderwijs 903 scholen en cur-
sussen met 16.586 leerlingen.
Voor het hoger onderwijs wordt in Nederland beschikt over.
zes universiteiten en vier hogescholen. Van deze universitei-
ten zijn die in Leiden, Utrecht en Groningen Rijksuniversi-
teiten; de universiteit te Amsterdam is een gemeentelijke in-
stelling. Te Amsterdam bevindt zich bovendien de Vrije Univer-
siteit, terwijl de R.K.Universiteit te Nijmegen is gevestigd.
De vier hogescholen zijn: de Technische Hogeschool te Delft,
de Landbouwhogeschool te Wageningen, de Economische Hogeschool
te Rotterdam en de Economische Hogeschool te Tilburg. De twee
eerstgenoemde zijn rijksinstellingen; de twee economische hoge-
scholen zijn particuliere institute. Die te Rotterdam is
neutral, die te Tilburg is R.K.
De Rijksuniversiteiten tellen de navolgende faculteiten:
godgeleerdheid, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, wis- en natuur-
kunde, letteren en wijsbegeerte. Utrecht heeft bovendien een
veeartsenijkundige en Groningen een economische faculteit.


-De-








-40-
De gemeentelijke Universiteit te Amsterdam beschikt voorts
over faculteiten voor economic en voor politieke en social
wetenschappen. De faculteiten der geneeskunde te Utrecht en
te Groningen verstrekken tevens het diploma voor tandarts.
Per 1 Ii derwijs; dit warren 23.905 mannelijke, en 4.545 vrouwelijke
studenten,


Gesteund door een dergelijk uitgebreid onderwijssysteem
is het culturele leven in Nederland tot aanmerkelijke hoogte
gestegen. Daarvan getuigt niet alleen het hoge peil der Neder-
landse wetenschappelijke prestaties, maar zeker ook datgene
wat op het gebied der kunst wordt bereikt. Een duidelijk voor-
beeld daarvan wordt geleverd op muzikaal terrein. Nederland
*beschikt over verschillende zeer goede symphonie-orkesten,
waarvan het Concertgebouworkest een wereldvermaardheid, en het
Residentie-orkest een Europese vermaardheid heeft verworven.
Daarnaast bezit Nederland vele voortreffelijke uitvoerende
music, en enkele moderne componisten die ook in het buiten-
land de aandacht trekken. Ook de Nederlandse opera staat op
international peil,
De Nederlandse schilderkunst heeft niet alleen een boei-
end verleden, maar evenzeer een boeiend heden. Het werk der
hedendaagse Nederlandse schilders treft men niet alleen aan
in de vele Nederlandse musea, maar ook in buitenlandse. De
Nederlandse beeldhouwkunst is de laatste jaren sterk in op-
komst, waarvan verschillende moderne oorlogsmonumenten getui-
genis afleggen.
De bouwkunst, die evenals de schilderkunst een groot ver-
leden heeft, onderging sinds het begin van deze eeuw een ster-
ke opleving; de zich toen ontwikkelde moderne stijl deed haar
invloed tot ver buiten de landsgrenzen gelden,
De letterkunde vindt vele beoefenaars; er wordt daarnaast
in Nederland zeer veel gelezen, waarvan de talrijke boekwin-
kels en bibliotheken getuigenis afleggen. Er is voorts een
bloeiend toneelleven; de prestaties der Nederlandse toneelge-
zelschappen kunnen met die der beste buitenlandse worden ver-
geleken,
-Sociale-






-41-


Sociale Politiek.

Sinds 1874, het jaar van de eerste social wet het
z.g. Kinderwetje van Van Houten, dat de kinderarbeid beperk-
te heeft de arbeidersbescherming een gestage ontwikkeling
doorgemaakt. In het algemeen kan worden gezegd, dat de arbei-
ders in Nederland zowel ten aanzien van de arbeidsduur, als,
ten aanzien van de veiligheid, de hygiene en de goede sfeer
bij de arbeid door de huidige maatregelen actief worden be-
schermd.
De Nederlandse social verzekering regelt zowel de gevol-
gen van ziekte en ongeval als van invaliditeit en ouderdom.
De Werkloosheidswet, welke op 1 Juli 1952 in working treedt,
verzekert de arbeiders tegen de geldelijke gevolgen van on-
vrijwillige werkloosheid en zal dan de huidige tegemoetkomin-
gen van Rijkswege goeddeels vervangen.
Het regelmatig overleg tussen werkgevers en werknemers
in de Stichting van de Arbeid en tussen de Regering en deze
Stichting heeft ertoe bijgedragen, dat de arbeidsvrede hoege-
naamd niet werd verstoord en dat lonen en prijzen met elkander
in evenwicht bleven.
De werkgelegenheid in Nederland vereist in verband met de
groeiende bevolking voortdurende zorg. Zij wordt o.m. bevor-
derd door industrialisatie. Voor het geval de werkloosheid
belangrijk mocht toenemen is voorzien in dd uitvoering van
openbare werken. De openbare arbeidsbemiddeling werkt met we-
tenschappelijke methods (beroepenclassificatie, beroepskeuze-
voorlichting, psychotechniek).
Ten aanzien van de emigratie bepaalt de Regering er zich
toe alle noodzakelijke medewerking te verlenen, voorlichting
te verschaffen, en eventueel subsidie te geven.
De gezondheidstoestand van het Nederlandse volk is zeer
bevredigend. Evenals dit met het maatschappelijk werk het ge-
val is, steunt ook de gezondheidszorg in de eerste plaats op
het particulier initiatief. De Regering bevordert het licha-
melijk en geestelijk welzijn zo veel mogelijk en schenkt
hierbij bijzondere aandacht aan de preventie, Het onderzoek


-i.v.m.-








-42-

i.v.m. de kankerbestrijding, de rheumatiekbestrijding en
andere volksziekten als t.b.c. is in volle gang, zodat de
wettelijke maatregelen in het algemeen slechts regulerend be-
hoeven te zijn om het juiste klimaat voor een goede gezond-
heidszorg te bewaren.








-43-


APPENDIX

Gegevens over Suriname,


Gouverneur. Mr; J. Klaasesz.

Directeur Kabinet Gouverneur. Dr.C.Nagtegaal.


Mr.Dr.J.A.E.Buiskool
Mr.,DrJ.A.E.Buiskool,


A.Currie,


J.Ch.CuriMl,
A.C.J. Mo.Alberga,

Ir.F.A.Langguth
Oliviera,
W.E.Juglall,


A.R.Smit,


Minister-President, hoofd van het
department van Algemene Zaken,
landsminister van Pinancien a.i.
landsminister van Binnenlandse Za-
ken a.i., landsminister van Sociale
Zaken en Immigratie.
landsminister van Economische Zaken,
landsminister van Justitie en Poli-
tie.
landsminister van Landbouw, Vee-
teelt en Visserij.
landsminister van Onderwijs en Volks-
ontwikkeling, landsminister van
Volksgezondheid a.i.
landsminister van Openbare Werken
en Verkeer,


Raad van Advies:
Voorzitter, de Gouverneur; ondervoorzitter Mr.M. de Niet;
leden: H.J.de Vries, J.A.Jesserun, J.P.Kaulesar Sukul;
buitengewone leden: ir RJ.de Greve en C.H.H.Jong Baw.

Staten van Suriname.
Voorzitter: Mr.F.H.R.Lim Apo (N.P.S.), ondervoorzitter
H.M.C.Bergen (N.P.S.).
Leden, S.Axwijk (N.P.S.), R.B.W.Comvalius (N.P.S), D.G.A.
Findlay (N.P.S.), K.Kanhai (V.H.P.), M.A.Karamat Ali
(K.T.P.I.), P.A.Kolader (N.P.S.), J.S.P.Kraag (N.P.S.),
J.Lachman (V.H.P.), A.J.Mac May (N.P.S.), P.J.A.Murray
(N.P.S.), J.S. Mungra (V.H.P.), R.O.Oedayarajsingh Varma
(V.H.P.), Dr.H.C.van Ommeren (N.P.S.), J.A.Pengel (N.P.S.),
E.F.Pierau (N.P..), H.S.Radhakishun (V.H.P.), J.Rens
(N.P,S.), H.F.Shuberath Missir (V.H.P.), en I.Soemita
(K.T.P.I.).

Politieke Partiaens Nationale Volkspartij Suriname (N.P.b.), Progres-
sieve Surinaamse Partij (P.S.P.), Verenigde Hindoestaanse
Partij (V.H.P.), Neger Politieke Partij (N.P.P.), Christe-
lijk Sociale Partij (C.S.P.), Democratische Nationale Par-
tij (D.N.P.), Kaum Tani Partai Indonesia (K.T.P.I.).








-44-


De Staten van Suriname bestaan uit 13 vertegenwoordigers
van ae N.P.S., 6 van de V.H.P., en 2 van de K.T.P.I.

Algemeen Verte enwoordiger van Suriname in Nederland-
Mr.Dr. R.H. Pos.

Gecommitteerde voor Surinaamse Zaken in Nederland-
Mr.H.L. de Vries.

Stichting voor de Ontwikkelin, van de Machinale Landbouw in Suriname
Directie: Dr.E.J.a Campo (Nederland)
Vert, in Suriname. Mr.Cde Rooy.

Stichting Planbureau Suriname:
Directie. Prof.Dr.R.A.J. van Lier
Dr.E.J. Campo.

De zetel dezer Stichting is in Suriname (Paramaribo);
de directie kan echter buiten Suriname kantoor houden (in
dit geval te 's-Gravenhage).


Dagbladrers in Suriname.
"Het Nieuws",
"De jWest" ,
'De Surinamer",
"Suriname" ,


Radio Omroep-organisatie
Avros.


Redactie A.J.en L.EM.Morpurgo, Paramaribo.
Hoofdred.D.G.A.Findlay, Paramaribo.
Redactie J.Willebrands, Paramaribo.
4 x per week, Red.J.H.en P.Wijngaarde,
Paramaribo.







-45-


Gegevens over de Nederlandse Antillen

Gouverneur : Mr .A.A.M.Struycken.
Directeur Kabinet Gouverneurs Mr,F.E.J. van der Valk.

Regeringsraadg
Voorzitter: Mr.Dr.M.P.da Costa Gomez (N.V.P.), tevens
Algemene Zaken, Landbouw, Veeteelt en Visse-
rij, en Landswaturvoorziening.
Leden: W.FP.M,Lampe (A.V.Po), Justitie.
W.R.Plantz (N.V.P.), FinanciEn.
J.H.Sprockel (K.V.P.), Onderwijs en Volksont-
wikkeling.
C.L.Delvalle (partijloos), Economische Zaken,
Verkeer en Vervoero
E.J.van Romondt (C.O.P.), Openbare Gezondheid
en Sociale Zaken.
JoPauw (N.V.P.), Openbare Werken.

Raad van Advies.
Voorzitterz de Gouverneur; ondervoorzitter: Dr.W.Ch.de la
Try Ellis.
Leden: J.E.M.Arends, J.A.Correa, P.J.Henriquez,
CJ.W.Jonckheer, L.O.Lampe, WV.F.G.Mensing,
A.Senior, C.N.Winkel, C.F.Zebregs.
Buitengewoon lid: Mr.S.C.G.van der Veen Zeppenfeldt.

Staten der Nederlandse Antillen.
---------------------------
Voorzitter: Mr,,I.,Debrot (K.V.P.)
Ondervoorzitter: PhCohen Henriquez (N.V.P.)
Leden: G.Amelink (A.N.U.), E.G.B.Bartels Daal (N.V.P.),
H.L.Braam (D.P.), P.Croes (AP.P.P.), M.E.de
Cuba (A.V.P.), J.H.A.Eman (A.V.P.), J.Geerman
(A.V.Po), L.D.Gerharts (B.P.P., Dr.W.J.Gos-
linga (N.V.P.), P.van der Hoeven (C.O.P.),
C.H.W.Hueck (D.P.), J.I.Irausquin (A.P.P.),
E.Jonckheer (D.P.), L.Lacl (A.V.P.), Mevr.A.A.
de Lannoy-Elisabeth (N.V.P.), Mr.S.W.van der
Meer (D.P.), E.J.Morkos (K.V.P.), H.G.M.Pie-
ters Kwiers (N.V.P.), D.A.Vlaun (A.E.P.), C.E.
Voges (Bovenwinden).

Politieke Partijen
Curagao: Nationale Volkspartij (N.V.P.), Democratische
Partij (D.P.), Katholieke Volkspartij (K.V.P.),
Curacaose Onafhankelijke Partij (C.O.P.)
Aruba: Arubaanse Volkspartij (A.V.P.), Arubaanse Patriot-
tische Partij (A.P.P.), Arubaanse Nationale Unie,
(UTN.A.) Arubaanse Eenheidspartij (A.E.P.)


-Bonaire-








-46-


Bonaire: Bonairiaanse Progressieve Partij (B.P.P.), Ver-
enigde Bonairiaanse Partij (V.B.P.).

De Staten van de Nederlandse Antillen bestaan uit 5 verte-
genwoordigers van de N.V.P., vier van de D,P., twee van
de K.V.P., 1 van de C.O.P., 3 van de A.V.P., 2 van de
A.P.P., 1 van de A.N.U., 1 van de A.E.P., 1 van de B.P.P.,
en 1 van de Bovenwindse eilanden.

Geza hebbers eilandgebieden.
Eilandgebied Cura9ao M.P.Gorsira
Ar-uba L L.C.Kwarts
Bonaire~ X.H.Ch.M.Krugers
SBovenw.eilandeng J.C.Paap.
Alaemeen vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen in Nederland.
-------------------- -------------------,---,----------------
Mr. N. Debrot.

.Dagbladper& in de Nederlandse Antillen:
"Amigoe di Curagao", Hoofdred.A.Versney, Willemstad.
"Beurs- en Nieuwsberichten", Hoofdred.L.W.de Wit, Willemstad.
"La Prensa", Willemstad
"De Democraat" id.
"Today" (In Eng.taal) uitg.J.J.de Bondt, Willemstad.

Radio 0mroeUor an-isatbeu
Curom.






-47-


Gegevens over Nederland.

Ministerie:
Dr.W.Drees, Minister-President, IinTster emn Zaken
(P.v.d.A.) r^/- s^e -y^^w/yr/y
M Mr.,G .O.M..Teuling ,s minister van Binnenlandse aken
J. (Ks.Y.P.
I.D.U.Stikker, Minister van Buitenlandse Zaken (V.V.D.)
Mr.H.Mulderije, Minister van Jistitie (K.V.P.)
Dr.F.J.Th.Rutten, Minister van Onderwijs, Kunsten en Weten-
schappen (K.V.P.)
Prof.Mr.P.Lieftinck, Minister van Financien (P.v.d.A.)
Ir.C.Staf, Minister van Oorlog en Minister van Marine
(C.H.U.)
Mr.J.in 't Veld, Minister van Wederopbouw en Volkshuisves-
ting (Pv.d.A.)
H.H.Wemmers, Minister van Verkeer en Waterstaat (Partij-
loos)
Dr.J.R.M.van den Brink, Minister van Economische Zaken
(K.V.P.)
Prof.Dr.A.H.M.Albregts, Minister zonder portefeuille
(K.V.P.)
S.L.Mansholt, Minister van Landbouw, Visserij en Voedsel-
voorziening (P.v.d.A,)
Mr.A.M.Joekes, Minister van Sociale Zaken en Volksgezond-
heid (P.v.d.A.)
Ir.L.A.H.Peters, Minister voor Uniezaken en Overzeese
Rijksdelen (K.V.P.)

Staatssecretarissen.
Buitenlandse Zaken: Mr.N.S.Blom
Onderwijs, Kunsten en Wetenschappens Mr.J.M.L.Th.Cals
Marine: Vice-admiraal b.d, H.C.W.Moorman
Sociale Zaken: Mr.Dr.A.A.van Rhijn
Sociale Zaken: Dr.P.Muntendam (Staatssecretaris van Volks-
gezondheid)
Uniezaken en Overzeese Rijksdelent L.Gotzen
Oorloge Mr.F.J.Kranenburg.

Raad van State.
Voorzitter: H.M.de Koningin
Vice-president: Jhr.Mr.P.Beelaerts van Blokland.
Leden: Z.K.H.Prins Bernhard der Nederlanden; Dr.A.A.L.Rut-
gers, ir. J.,.Alberda, J.Th.Ftirstner, Dr.J.W.Meijer
Ranneft, Prof.Dr.G.A.van Poelje, Mr.J.R.M.van Angeren,
Mr.J.H.Scholten, Mr.Dr.L.N.Deckers, H.P.M.baron van
Voorst tot Voorst, Mr.W.F.Schokking, Mr.J.R.H.van
Schaik, Prof.Mr.R.Kranenburg, Mr.P.W.J.H.Cort Van
der Linden, P.C.Baron van Aerssen Beijeren van Voshol.
kStaatsraden in buitengewone dienst: Mr.R.J.H.Patijn,
Mr.P.A.V.Baron van Harinxma those Sloten, Mr.Dr.L.H.N.Bosch
ridder van Rosenthal, Prof.Mr.R.P.Cleveringa.


-Politieke-








-48-

Politieke PartiLen__ n amenstellina_plement.
Zetels Zetels
Tweede Kamer Eerste Kamer

Katholieke Volkspartij 32 16
(K.V.P.)

Partij v.d.Arbeid (P.v.d.A.) 27 14
Anti Revolutionnaire
Partij (A.R.) 13 7
Christelijk Historische
Unie (C.H.U,) 9 6
Volkspartij voor Vrijheid
en Democratic (V.V.D.) 8 4
Communistische Partij
Nederland (C.P.N.) 8 3
Staatkundig Gereformeer-
de Partij 2
Katholieke Nationale
Partij 1


Voorzitter Eerste Kamer. Mr.J.A.Jonkman
Voorzitter Tweede Kamer: Mr.L.G.Kortenhorst.


Fractieleider
in Tweede Kamer

Prof.Mr.C.P.M.Rom-
me.
Mr.L.A.Donker

J.Schouten

H. '.Tilanus

Mr.P.J.Oud

G.Wagenaar

Ds P.Zandt

C.J.I.M.Welter







-49-


OZ.TLKRITLLLING DER DELEGATES EN ADRESSEN.

VOORZITTLR DER CONFLRENTIEe


Z.E.de Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
PLAATSVERVANGEND VOORZITTLR.
ZoE.de Minister voor Uniezaken
en Overzoese Rijksdelen,


Onder-Voorzitters:
Mr.Dr.J.A.E.Buiskool

Dr.M.F.da Costa Gomez


Algemene Adviseurs voor Nederland.
Mr.J.R.H.van Schaik,
Minister van Staat, Lid van
de Raad van State,
Prof.Mr.W.C.L.van der Grinten

Mr.W.H.van Helsdingen


Vertegenwoordigers voor Nederlandg
1. de Minister voor Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen,
Ir.L.A.H.Peters
2. de Minister van Binnenlandse
Zaken, Prof.DrL.J.M.Beel
3. de Minister van Justitie
Mr.H.Mulderije


Plein 1815, no. 4,
tel. 117542.


Plein 1, tel. 183860,


Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.


Van de Spiegelstraat 8,
's-Gravenhage, tel. 333420.

Bredaseweg 284, Tilburg,
tel,
Ministerie voor U. en 0.R.
Kamer 84, tel. 183860,
toestel 309.


Plein 1, tel. 117851 (pers.)
of 183860, toestel 201.

Binnenhof 19, tel.183820.

Plein 2 b, tel.182321 (pers.)
of 180063.


4, de Minister van Buitenland Plein 23, tel.110478 (pers.)
Zken, .U.St e 'ge,1 84000.
5. de lnister van Oor og en Lange Vijverberg 8,
van Marine, Ir.C.Staf tel. 182210.
eventueel vertegenwoordigd
door de Staatssecretaris Lange Vijverberg 8,
van Oorlog en/of de Staats- tel. 182210.
secretaries van Oorlog en
van Marine,


6. Mr.L.A.Donker

7. J.de Kadt,

8. Dr.W.L.P.N.de Kort,


Rotterdam, Charlotte de
Bourbonlaan 28.
Heemstede, Cdsar Francklaan
25, tel.K 2500 29935.
Goirle, Kerkstraat 37,
tel.K 4147 337.


-9.-






-50-


9.

10.

11.

12.

13.

14.


Mr.G.CJ.D.Kropman

H.J. .A .Meijerink

Prof.Mr.C.P.M.Romme

Prof.Dr.Ir W. Schermerhorn

F.H.van de Wetering

Mr.G .Vonk


Surinaamse Delegatie
Mr.Dr.J.A.E.Buiskool


H.M.C.Bergen 40


W.E. Juglall A .

Lnr .H. R TLim. Apn

Mr.Dr. R.H.Pos

D.G.A.Findlay

J.A.Pengel

L.A.Lachmon

M.A.Karamat Ali

C.H.H.Jong Baw

H.Schriemisier

J.A.Mac May, Plv.lid

Mr.H.L.de Vries, Advisour


Mr.S.D.Emanuels, Secretaris


Amsterdam, Nic.Maesstraat
114, tel.K 2900 29650.
Arnhem, Huygenslaan 10,
tel. K 8300 20427
Overveen, Ruysdaelweg 14,
tel. K 2500 23979.
Bilthoven, Lassuslaan 59,
tel, K 3402 2187.
Amsterdam, Middenweg 319,
tel. K 2900 58149.
Haarlem, Prins Mauritslaan
15, tel. 34865, K 2500.


Voorzitter van de Delegatie,
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Ondervoorzitter,
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.



Lange Voorhout 50,
tel. 111147.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Ministerie voor U. en O.R.
Commissariaat voor Surinaam-
se Zaken, tel. 183860.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406,

-Antillaanse-








-51-


Antillaanse Delegatie,
Dr.M.P.da Costa Gomez


W.R.Plantz

Dr.E Jvan RoLio dt

D .V.Ch.de la Try Ellis

J.E.Irausquin


F.B. Tromp

Ch.W.E.Voges

L.D.Gerharts

J.H.A. Eman


C .A.Eman


Ph.Cohen Henriquez

Mr.I.C .Debrot

E.Jonckheer


Voorzitter van de Delegatie,
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel Centrel Lange Poten
6, tel. 184930,



Hotel Pomona, Molenstraat
53, tel. 184030,
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel Central, Lange Poten
6, tel. 184930.
Rijksstraatweg 392, Haar-
lem, tel, K 2500 -



Hotel du Vieux Doelen,
tel. 117406.
Hotel Kasteel Oud-Wassenaar,
Wassenaar, K 1751 9045.
Apollolaan 105, Amsterdam-Z.
tel. K 2900 -
Hotel du Vieux Doelen,


tel. I1I 74Ub0
Mr J, er Meer 4V

ir.,e Vries, Se retaris


AdWvisers oegevoegd aan de Nederlandse Delegatie.


'-'---pZ


1. Mr.C.L.Wi.Fock


2. Mr.H.J.Reinink



3. Mr.H.J.Schblvinck,
ply.lid.


Ministerie van Algemene
Zaken, Plein 1813, no. 4,
tel. 117542.
Ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Wetenschappen,
Prinsessegracht 21, tel.
110309 (pers.) of 183130.
Ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Vjetenschappen,
Prinsessegracht 21,
tel. 183130.


-4.-







-52-


4. Mr.P.Eijssen,

5. Mr.R.A.V.Baron van
Haersolte, plv.lid
6. Mr.Chr.Pool


7. W.G.H.Staal, plv.Lid


8, Jhr.Mr.H.F.van Panhuys

9. A.J. May

10. K.J.P.Krediet, Kaptt/Z.

11. Mr.M.J.P.D.Baron van
rinxm'a lthee Slooten .
1. de Waar

13. J.M.H.Timmermans

14. Jhr.S.G.van Weede


15, Mr.H.J.Spanjaard

16. Mr.J.Riphagen

17. Mr.F.J.J.C.M.van
Meerwijk
18. Mr.C. van der Tak,
plv.lid
19. W.J. van Gulik

20. Mr.H. van Santwijk

21. A. Jnkers

22" A.I. pits


Secretariaat-Guneraal
Mr.Th.J. van der Peijl


Ministerie van Justitie,
Plein 2 b, tel. 180063.
Ministerie van Justitie,
Plein 2 b, tel. 180063.
Ministerie van Landbouw, Visserij
en Voedselvoorziening,
Bezuidenhout 30, tel. 720060.
Ministerie van Landbouw, Visserij
en Voedselvoorziening,
Bezuidenhout 30, tel. 720060.
Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Plein 23, tel. 184000.
Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Plein 23, tel. 184000.
Ministerie van Marine,
Lange Vijverberg 7, tel. 182210.
Ministerie van Oorlog,
Plein 4, tel. 183490, 182290.
Ministerie van Economische Zaken,
Bezuidenhout 30, tel. 720060.
Ministerie van Economische Zaken,
Bezuidenhout 30, tel. 720060.
Plv.Dir.Generaal voor de Scheep-
vaart, van Alkemadelaan 400,
tel. 777840.
Rijksluchtvaartdienst, Kanaalweg 3,
tel. 553653, 557583.
Ministerie van Binnenlandse Zaken,
Binnenhof 19, tel. 183820.
Ministerie van Financiem,
Kneuterdijk 22, tel. 184410.
Ministerie van Financign,
Kneuterdijk 22, tel. 184410.
Hoofd Afd,Mil.Zaken, Minuor,
Plein 1, tel. 183860.
Hoofd Afd.W.J.Z., Minuor,
Plein 1, tel. 183860.
Hoofd Afd.S.N.A., Minuor,
Plein 1, tel. 117807 (pers.)
Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Plein 23, tel. 184000.


Secretaris-Generaal,
Eerste Kamer, Kamer
tel. 183180, Binnenhof 23.








-53-


mr.H.G.Verhoeff



D.L.Hoorens van Heyningon



Mr.W.J.Gerretsen


Secretaris,
Eerste Kamer, Kamer
tel. 183180, Binnenhof 23.

Secretaris,
Eerste Kamer, Kamer
tel. 183180, Binnenhof 23.

Secretaris,
Eerste Kamer, Kamer
tel. 183180, Binnenhof 23.




University of Florida Home Page
© 2004 - 2010 University of Florida George A. Smathers Libraries.
All rights reserved.

Acceptable Use, Copyright, and Disclaimer Statement
Last updated October 10, 2010 - - mvs