• TABLE OF CONTENTS
HIDE
 Front Cover
 Title Page
 Kalikoni
 Het uitstervende dorp
 Kalikoni wordt stoker
 Kalikoni verjaagt den leeuw
 Uit het leven van de stokers
 Kalikoni wordt huisknecht
 De ontriggeling in de wilderni...
 Is Kalikoni wel eerluk?
 Kalikon trouwt
 De wraak van kwale
 Table of Contents






Title: Kalikoni
CITATION PAGE IMAGE ZOOMABLE PAGE TEXT
Full Citation
STANDARD VIEW MARC VIEW
Permanent Link: http://ufdc.ufl.edu/UF00003992/00001
 Material Information
Title: Kalikoni
Series Title: Nr. 2. Gouden regen
Physical Description: 48 p. : ; 25 cm.
Language: Afrikaans
Creator: Mampa, Bwana
Publisher: Onze jongens- en Meisjesboeken
Place of Publication: n.p.
Publication Date: 1931
 Record Information
Bibliographic ID: UF00003992
Volume ID: VID00001
Source Institution: University of Florida
Holding Location: African Studies Collections in the Department of Special Collections and Area Studies, George A. Smathers Libraries, University of Florida
Rights Management: All rights reserved by the source institution and holding location.
Resource Identifier: aleph - 001782582
notis - AJK5916

Table of Contents
    Front Cover
        Page 1
        Page 2
    Title Page
        Page 3
        Page 4
    Kalikoni
        Page 5
    Het uitstervende dorp
        Page 6
        Page 7
        Page 8
        Page 9
        Page 10
        Page 11
    Kalikoni wordt stoker
        Page 12
        Page 13
        Page 14
        Page 15
        Page 16
    Kalikoni verjaagt den leeuw
        Page 17
        Page 18
        Page 19
        Page 20
    Uit het leven van de stokers
        Page 21
        Page 22
    Kalikoni wordt huisknecht
        Page 23
        Page 24
        Page 25
    De ontriggeling in de wildernis
        Page 26
        Page 27
        Page 28
        Page 29
        Page 30
        Page 31
    Is Kalikoni wel eerluk?
        Page 32
        Page 33
        Page 34
        Page 35
        Page 36
    Kalikon trouwt
        Page 37
        Page 38
        Page 39
        Page 40
    De wraak van kwale
        Page 41
        Page 42
        Page 43
        Page 44
        Page 45
        Page 46
        Page 47
    Table of Contents
        Page 48
Full Text

NI I W,
BiANA MAMPA f
KALiKON 1i


GOUDEN RECENT Nr

\ ^N
A v
~I~*IQ ZVA


MEISJESBOEKEN 1

M4^


w
rr




























































'ii




5
































I






















''
...
'' '~
-t1,
"i ir ru- ~~.
-
k '
-L
~~ ~I
~cC~_.r '
i"r
..
li:ir_.r +:~
:r 5-
~~'
T
Z:


Nr 2 GOUDE REGEN 1931



ONZE -JONGNS- EN NMEISJESBOEKEN


BtVANA -MAMPA)
























KALIKONI














KALI KON'I.





Alle jongens en meisjes hooren graag vertellen over Congoland.
En geen wonder I Het is er'ook zoo heelemaal anders dan bij ons.
Wanmeer het hier vriest, dat het kraakt, zoodat er ijskegels van een voet
lengte aan de dakgoot hangen... dan is het in Congo zoo heet als in een
bakkersoven.
Hier regent het wel eens zoo malsch, dat we zeggen : c Het valt er uit
bij emmers I > In Congo zouden we roepen : a Het valt er uit bij kuipen 1i
Wij kunnen tijdens het verlof zoo mooi bruin gebakken worden als een
kastanje. Maar een paar maanden later zijn we weer bleekneuzen. De
negertjes zijn zoo zwart als een hooge hoed, en dat gaat er niet meer af.
Ge zult misschien beweren, dat er bij ons ook soms heel zwarte jongens
en meisjes te vinden zijn. Als die wat meer zeep gebruiken, zult ge zien,
dat ze nagemaakt waren.
Dat wij goed gekleed loopen, en niet zonder sokken door de stad zou-
den willen wandelen, is klaar. Maar dat de zwartjes niet veel hemden,
en nooit een slipjas vuil maken, moet ik u ook niet leeren.
Zeker smaken onze appeltjes en peren opperbest, en boven een sappige
perzik gaat niets En toch weet ik goed, dat de meeste lezertjes nog al
wat liever in een kokospalm zouden klauteren dan in een appelaar.
We zullen maar zwijgen over onze hazen en katten en honden, en
droomen van den wreeden krokodil, die ginder ver, zeer ver in de stroo-
men op loer ligt... of van den vreeselijken leeuw en den reusachtigen
olifant, de koningen van de dieren...
En misschien vragen eenigen wonder u : c Vertel ons eens van men-
scheneters, die hun gevangenen gaar koken in een grooten ketel ? ,0 1
als die er volstrekt moeten bij zijn, legt dan dit boekje maar netjes weg 1
5









IRnd 1910 ben ik heel lang in Congo geweest, en ik heb er maar een
paar ontmoe. De eene was dan nog een leeuw, en de andere een luipaard.
Maar ik wou u wel graag vertellen over mijn Kalikoni. Dat was mijn
knecht. Een zwartje met een gouden hartje. En dan zal ik u eerst zeggen,
waarom die naar de blanken toekwam.


HET UITSTERVENDE DORP.

In Katanga was het droog seizoen ingetreden. Sinds twee maand was
de lucht klaar als glas. Geen wolkje kwam de zon op haar dagelijksche
wandeling plagen. Er viel dan ook bijna geen drop regen meer op de
dorstige hooglanden. En de zon scheen alles lui te maken. De bronnen
langs de berghellingen, die zoo luidruchtig konden klateren, werden van
dag tot dag stiller, en sommige vielen heelemaal in slaap. De bruisende
been en bulderende rivieren zakten en vernauwden snel, en vloten nu
traagjes tusschen glinsterende keien en sombere rotsblokken door. In de
verraderlijke moerassen verdween het zwarte brobbelende water.
En overall barstte de aarde open van de droogte. Het gras van de sa-
vannen verdorde, werd vaal en bruin en viel slap omlaag. En in de bos-
schen ritselden uit de kromme, kreupele boomen miljoenen rosse blade-
ren neer. Want dit was de Congoleesche Winter, de warme, droge Vvin-
ter, die een half jaar duurt.


Maar hier en daar in het hoogste deel van een vallei bleef er een
bronnetje onverpoosd opborrelen. En waar zijn water stroomde daar was
het gras altijd groen en sappig, en 't groeide er tot op manshoogte.
Dat wisten de dieren uit de savanne. Tegen den avond slopen daar
behoedzaam de gazellen en antilopen heen om hun dorst te lesschen en
aan de frissche scheuten te knabbelen. En om' zijn dorst te lesschen en
de gazellen en antilopen te verslinden kwam er de bloeddorstige lui-
paard.
Maar dat wisten ook de negers uit het naburige dorp, die belust zijn
op1 de bontgevlekte huid van den luipaard en op het lekkere vleesch van
ce gazelle. Dat wist ook Kalikoni, de jonge jager uit Kigeti, die in het
hooge gras verborgen zat.
6









Op de hurken zat hij, en luisterde met gespanneft aandacht naar een
verwijderd belgerinkel, naar een kort, heesch geblaf... Daar kwam het
nader, nader... De jager steunde met de linkerhand op den ground -
klaar tot den spring en omklemde met de andere een korte, stevige
speer. Een goed wapen, gesmeed uit koud ijzer, in den mooien ouden
tijd, toen er te Kigeti nog een dorpssmid was.
Daar verdween het gerinkel in de verte. Kalikoni zette zich weer ge-
makkelijker, en zuchtte. Hij dacht aan zijn dorp. Ja, waar was die heer-
lijke tijd toen Kigeti groot wa!s Toen woonde er een nijverig en geo-
lukkig volkje. Het leefde in ruime hutten of simbek's van riet en gras.
Daartusschen liepen duizende kakelende kippen en vele knorrende zwij-
nen. Rond het dorp was een omheining van palen en taken, om de roof-
dieren weg te houden. De veiden daarbuiten brachten vrachten aardno-
ten op, en sorghokoren, en maniokwortels. Er was een opperhoofd, met
prachtige pluimen en dierenhuiden bekleed. Er waren handige wevers,
pcttnbnakkeks en wapensmeden. Er waren handelaars, die twintig uur
ver gingen om zrout, buskruit en stekjes te koopen. Er was een toovenaar,
die den biiksem tegenhield, den regen bijtrok en den vijand verjoeg.
Maar eens kwamen de Arabieren, en daartegen kon de toovenaar niets
uirrichten. En ook de palissade niet. Ze hakten mannen en vrouwen
never. Ze name jongens en meisjes mede als slaven, plunderden het dorp
en brandden het never. Nu komen er geen slavenhandelaars meer : de
blanken hebben ze verjaagd.

Het dorp kwam weer traagjes op.
Dan verschenen de sprinkhanen. Ze bedekten den hem'el als onweers-
walken. Ruisch nd als de regen vielen ze op de akkers van Kigeti never.
De negers sloegen er als razenden op los. Doch wAt doet ge er tegen als
ze een halven voet dik liggen te krieuwelen en te krabbelen ? Wanneer
de groene veelvraten weer opvlogen was er geen halmpje meer te vin-
den. Men at eenige dagen sprinkhanen : rauw en gebraden. Dan was er
hongersnood. En de kinderen stierven als de vliegen.
Het dorp was als een zieke man, die nooit meer zal genezen.

Daar kwam de ts&-tse-vlieg klein en verraderlijk. Ze stak, ze stak,
ze stak. En wie gestoken was werd ziek, slaapziek. Daarvan kon nie-
mand genezen. Ook niet de sterkste knaap. Met glazige oogen en weg-
tcrende leden zaten de zieken voor hun vervuilden simbek. Ze vergin-
gen als sneeuw voor de zon. Bij het hevigste vuur leden ze kou. Soms
7









viel er een in de viammen, en vond er den dood. Niemand hoorde hem
huilen of zag hem spartelen.
Zoo was Kigeti ten wonder gegaan. < De booze geesten hebben gezwo-
ren, mompelde Kalikoni, ze hebben gezworen ons te vernietigen .>
Plots schrok hij op. Het belletje naderde heel snel. Een woest geblaf
weergalmde. Het gras wiegde, golfde, spleet open. En vaal dier vloog
voorbij, gevolgd door een jachthond. De speer bliksemde door de lucht.
Met een zwakken kreet stortte de gazelle neer. Haar kop sloeg wild eeni-
ge malen weg en weer. Dan rilden de slanke snelle pooten en joeg er
een laatste stuiptrekking door het fijne lijf. Kalikoni trok de speer uit
de flank en liet het bloed vrij vloeien. Zijn rosse jachthond, met de hou-
ten belletjes wonder aan den buik, likte het begeerig op. Nu vatte de jager
zijn buit bij de achterpooten, zwierde hem over zijn naakte schouders en
verwijderde zich snel vallei-afwaarts naar Kigeti toe.



Nog voor de duisternis ingevallen was, kwam Kalikoni in het dorp
toe. De weinige overblijvende simbek's waren zoo ineengezakt en ver-
vuild dat er geen fatsoenlijk zwijn in zou willen wonen hebben.
Rond een flakkerend houtvuur, waarover een pruttelende ketel thing,
zaten een viertal vermagerde negers in 't diepste stilzwijgen. Een oude
vrouw sleepte het wild, dat Kalikoni op den ground had neergeworpen, in
een hut, en going dan in den ketel zien of de maniokbollen gaar waren.
Waar zijn Mukono en zijn drie breeders ? P vroeg onze jager.
< Ze zijn voor altijd vertrokken met hun zuster Nkenge > mom-
pelde Kipini, de zoon van de oude.
< Ik wist dat er nieuw verdriet was, ; hernam Kalikoni < onder-
weg ben ik gestruikeld. >
< Wij ook moeten hier weggaan, > meende Kwale, c< anders ster-
ven we allen. 't Is omwille van de geesten. v
j Ja, 't zal met ons gaan zooals met Kinsendo s zei de oude vrouw
Wat was dat daar van Kinsendo ? vroeg Kwale, en allen spit-
sten nieuwsgierig en beangst de ooren.
c Daar was een dorp op de bergen, een rijk dorp met vruchtbare
velden en vele menschen. Maar de ziekte kwam. En behalve Kinsendo
en zijn broer Kindanga, stierven allen. Kindanga brak zijn hut af en bouw-
de ze weer op in de naaste vallei. Maar Kinsendo wilde wonen waar zijn
ouders hadden gewoond.
8










Dit viel niet in den smaak van de dooden. Ze hielden krijgsraad, en
s nachts kwamen hun geesten al trommelend den jongen halen. Kinsen-
do echter riep op zijn broer in de valley. Deze shoot wakker, greep zijn
geweer en stormde de bergen op. Hij pafte de geesten uiteen.
<< Ga nu mee bij, Kinsendo. De geesten zullen u dooden >
<< Bij 't sterven van de groote vledermuis, neemt de kleine de plaats in,
Kindanga. Ik blijf. En hij bleef.
Maar den volgenden nacht waren de geeslen er weer, en ze doodden
hem. Want ze zegden :
<< Ons dorp is uitgestorven. Een geestendorp meet het blijven. Het
-hooge gras moet er eeuwig wassen >
De oude zweeg. Gelukkiglijk werd de angstige stilte, die op 't verhaal
volgde weldra onderbroken door de aankomst van drie voorname vreem-
delingen. Drie zwarten in rood uniform kwamen uit de donkere wilder-
nis het dorp ingedraafd. De eerste droeg een geweer van heel oud mo-
del, dat opgepropt zat met buskruit, lood en stukjes ijzer. De volgende
had een lederen brieventesch bij en de laatste hield in de hand een slag-
hoedje, om het geweer te doen afgaan. Het was de post. Ze maakten
zich op afstand kenbaar door een heesch geschreeuw, en vielen nu ver-
moeid bij het vuur neer.
De maniokbroodjes waien just gaar. De oude deelde ze rond in een
breed blad. De nieuwaangekomenen werden ruim bedeeld, want gastvrij-
heid is een deugd van de wilden. Een stukje koud rattenvleesch volle-
digde het maal, want maniok eten wonder vleesch is nu eenmaal niet
denkbaar.
Nu de maag voldaan was, werd de honger naar nieuws merkbaar. Im-
mers, ze kwamen uit verre streken, uit Sakania, ginds in 't Zuiden, ze-
ven dagreizen verre, aan de grenzen van Rhodesia... Ze brachten de
brieven van de blanken over en waren getuigen van zeldzame gebeurte-
nissen.
< Te Sakania >, zei de man met de tesch, ( is een massoea-totte-
totte, een trein. Dat is een vervaarlijk ijzeren monster. Het eet vuur en
spuwt stoom. Het rookt als een grasbrand en doet tjoek-tjoek met groot
gedruisch. Het kan erger gillen dan alle duivels en heeft zooveel macht
als een kudde olifanten. Toch is het gehoorzaam aan den blanke en doet
niemand kwaad... >
< Wie bij den blanke gaat werken, > voegde de man met het slag-
hoedje er aan toe, < kan zeer veel geld verdienen. Want Boele-Matari, de
9








Staat, is zeer rijk. En te Sakania zijn de negers goed gevoed en mooi
gekleed... >
< En gij leeft hier als de hyena's in de savanne > zei de man met
het geweer ten slotte.
,Tot een stuk in den nacht bespraken de mannen van Kigeti de mede-
deelingen van de post. Ze besloten hun geluk te gaan beproeven bij
Boele-LMatari, den Staat. Alleen de oude wilde niet.
< Laat de geestoen mij ma,ar halen. Ik ben oud en moe, en wil rusten,
waar mijn ouders rusten. >>
aar zoon Kipini zou bij haar blijven.



Het duurdoe nog minstens een week, vooraleer onze ontdekkingsreizi-
gers klaar kvX~aiuen. Nagers immers kennen de spreuk << Haast en spoed,
zeiden go..d maar al te wel, en ze warren heimelijk bang voor het ge-
helminnige cnbedke;Ij, dat hun te wachten stond. Halve dagen zaten
ze voor hun simbek op hun huri, en beraadslaagden over de toekomst, i
Ze noimcren dat palaberei, en van palabers hielden ze heel wat meer
dan van ernstigen arbeid. Soms,ja, zagen ze hun wapens goed na: hun rie-
ten child, hun koudgesmede speer met weerhaken en hun boog met zijn
taaie pezen. Dan ook haalden ze hun schatten boven. Kwale bezat een
groezelig halsboordje, dat eens wit was geweest, maar nu als een vet-
lapje kon gebruikt worden. Het moest dichtgehouden worden met een
koperdraadje. Dat echter was niets vergeleken bij Kalikoni's hoogen
zijden hoed. Weliswaar was hij zeer geblutst en versleten, doch wie weet
vat een beroerde geschiedenis hij beleefd had Beide kostbaarheden
warren eens medegebracht gewvorden door een Arabischen sjacheraar, en
tegen hoogen prijs aan het overleden opperhoofd van Kigeti verkocht.
Na veel loven en bieden kon Kalikoni het halsboordje in zijn bezit krij-
gen en van dan af prijkte het dag en nacht rond zijn vettigen hals. De
hooge hoed zat hem zeer potsierlijk op zijn kroezelkop, en we hoeven
er ons ,dus niet over te verbazen dat de gelukkige bezitter zich gestolen-
weg in een spiegeltje bewonderde.
Onderwiji sloofde de oude negerin zich af voor et ht eil der luie man-
nen. Ze legde, dikke raapachtige maniokwortels in het beekje te roten,
pelde er de vezels af, en stampte ze dan in een uitgehold blok met een
knuppel tot meel. Vervolgens rolde ze er bollen van, wikkelde ze in
10










groene bladeren en liet ze koken. Zoo zorgde ze voor eetvoorraad gedu-
rende de reis.
Daar de gazelle van Kalikoni na een paar dagen opgepeuzeld was,
gmg Kipini dagelijks strikken stellen voor lekkere, vette ratten, of ving
vogelen met lijm, dien hij uit boomen had getrokken. Meer was er niet
noodig om in 't leven te blijven, daarom kenden de zwartjes dan ook
den zwaren arbeid niet.
Na een week oordeelden de vier man dat ze reisvaardig waren. Flink


... een lang zwart monster ...


ingevet met palmolie, goed gewaperd en voorzien van matiok en een
kalebas water, zeiden ze vaarwel aan den treurenden Kipini en zijn bra-
ve moeder. Welgemoed nu ze'uit het betooverd dorp weg waren togen
ze naar Sakania Ze liepen op een rijtje langs de nauw-zichtbare savan-
newegels, door het verwarde prikkende hooge gras, door wild, doornig
kreupelhout en urenlange dunne, verlaten bosschen. Ze ontmoetten geen
enkel dorp. Ze zagen slechts af en toe een eenzaam jager. Van vroeg
in den morgen state ze snel op, om hun verstijfde ledematen te ver-
11










warmeh, tegen den middag zochten ze een lommerig plekje op en nameni
eenige uren rust; daarna gingen ze weer op weg tot de zon in 't Westen
stond. Onderweg trachtten ze een stuk wild te verrassen, en braadden dit
boven hun kampvuur. Het vuur was hun grootste bekommernis : het
most hen verwarmen tijdens de zeer koude nachten van Katanga en de
wilde dieren op afstand houden. Daarom werden de steenen, waaruit
ze vuur sloegen, met de grootste zorg bewaard.
Na een week hoorden ze in de verte een vreemdsoortig gefluit. Spoe-
dig bemerkten ze in een afgelegen dal een lang zwart monster, dat wolk-
jes uitbraakte en achter een bergrug verdween. De ontzetting sloeg hun
tong met verlamnfing. Maar uit schaamte trokken ze voort. 's Namid-
dagis kwamen ze voorzichtig uit een bosch op de hoogte en blikten neer
op Sakania. De trein stond op geen vijf minute gaans van hen. Plots
zette hij met een zwaren zucht in beweging. Op dit zicht slaakten Kwale
en twee zijner vrienden een kreet van afgrijzen en vluchten als gazellen
de wildernis in.
Kalikoni bleef aarzelend staan. Daar lag nu het wonderland. Zou hij ?
De gedachte aan het uitgestorven dorp en de geschiedenis van Kinsendo
kwamen in zijn brein op. Hij nam een kloek besluit en daalde naar het
dorp af.




KALIKONI WORD STOKER.

Indien ge Sakania wilt vinden op de kaart van Congo, moet ge eerst
de province Katanga zoeken. Nu de hoofdstad : Elisabethstad. Daar is
ecn spoorweglijn. Volg ze tot aan de grens van Engelsch Congo. Hier
aan de grens ligt Sakania.
Hoe verloren lag het daar in de eindelooze wildernissen En wat een
klein nest was het toch Voor Kalikoni leek het al heel wonderbaar,
maar voor ons... ? In de state lagen vier sporen. En in het statiegebouw
zelf zaten twee man Een was de Belgische chef. De andere was een
Engelschman. leader van hen had een kamertje van een voorschoot op-
pervlakte. En zoo behoorde de helft van dat poppenstatietje aan het groo-
te Engeland en de helft aan ons.
Om de grens te beschermen was er een kazerne. Daarin huisden wel
honderd zwarte soldaten. Dat waren de gelukkigste menschen ter we-
12











rdld, want ze mochten luieren naar hartelust, zooals het soldaten past,
en ze stoeften, dat het wreed was, met hun witte broekjes.
De witte luitenant wilde bij dat volkje natuurlijk niet wonen, en had
een houten huis laten bouwen. Het stond op ijzeren palen en om er in
te geraken, most men trappeken-op. Er was een heel breed dak over,
dat teen eind over het huis uitstak. Onder dien luifel was het lommerig en
-frisch. Ook werden de muren niet vochtig tijdens het regenseizoen. Zoo'n
huis heette een bungalow.
Ik had ook een bungalow en deelde hem met een paar andere witten.
Vij drieen waren de eerste machinisten op de lijn naar Elisabethstad.
Natuurlijk stond ons huis nevens de state.
Vijftig meter verder woonden een paar handelaars. De eene was een
Engelschman, de andere een Griek. Hij heette Heliopoulos. In hun bun-
galow was het altijd market. Daar was alles te koop tegen veel, heel veel
geld. Zulke winkels werden < factorij >> genoemd.
Verders hadt ge daar nog Matthe en Vernier, en nu moogt ge eens
zien of ge de blanken van Sakania niet op uw vingeren kunt tellen.
Maar natuurlijk woonden er ook nog zwartjes. Deze waren op den
spoorveg afgekomen gelijk de vliegen op stroop, om wat centjes te ver-
dienen. Ze hadden armzalige hutten in de bosschen rond ons dorpje.
Soms most ik aan de Oude Belgen denken, wanneer ik er langs liep om
te gaan jagen. Want er waren ook maar wegeltjes-van-een-man en geen
mooie wegen. Er werden afgoden aanbeden.
Toen waren er nog geen missionarissen tot in dat deel van Afrika
doorgedrongen. En de hutten waren ook van taken, en bladeren en
klei. Ze waren klein, vuil en broken heelemaal niet lekker.
En toch waren we in den beginne erg tevreden als we eens in zoo'n
simbek mochten overnachten. Want onze bungalow was nog niet opge-
trokken en we moesten ons met een soort van beestenwagen vergenoe-
gen. En wat voor een treinen waren dat toen In de state hing bijvoor-
beeld een plakkaatje met de volgende waarschuwing :
< Beleefd verzoek aan de reizigers zich te voorzien van licht en voed-
sel. '
Kaarsen hadden de reizigers noodig omdat er in de wagens geen licht
was, en de reis vele avonden kon duren. Eten mochten ze niet vergeten
cm dezelfde redenen. Soms rolden we van de sporen en bleven dan een
paar dagen in de wildernis steken.
En als ge ,dan te Elisabethstad aankwaamt vondt ge daar ook een
15










nest als Sakania eenige tenten, een paar huisjes in ijzeren platen en
een twintigtal simbek's.
Nu ja, nu is het heelemaal anders geworden. Nu bolt een fijne snel-
trein met kussenwagens door Katanga. De zwartjes zijn geen wilden
n:eer. Elisabethstad heeft kerken, paleizen, bazar's, banken, hotels en
auto's. En missc!hien is mijn Kalikoni nu caf6baas of... Ach ja, we zul-
len daarnaar maar niet raden, en liever verhalen, hoe die moedige jon-
gen het tot stoker op mijn lokomotief bracht I



Zooals ge weet was ik machinist, en volgens het cordeel van mijn sto-
kers niets minder dan een goddelijk wezen. Zeven zwarten hielpen me.
Ze laadden hout op den tender, want in Congo stookten we met hout;
en ze. taken een handje toe als we ontspoorden. Dit laatste gebeurde
lang niet zeldzaam in het regenseizoen. Ik had en van hen tot kapitein
aangesteld. Hij heette Mafoeta. Het was een Kaffer uit Transvaal en
veel handiger en vlijtiger-dan de meeste negers uit onzen Congo. Ge
hadt eens moeten zien hoe Mafoeta mijn machine verzorgde Hoe zui-
'ver blonk haar zwarte ketel, en hoe schitterden haar koperen kranen en
stangen. Mafoeta was verliefd op de locomotief als een moeder op haar
kind. Hij was er niet van weg te slaan. Altijd had hij hier wat te poet-
sen en daar wat te smeren. En hij was er jaloersch op ook i Als 4en van
de andere stokers er dorst met den vinger naar te wijzen, maakte hij zich
geweldig dik en schold hem uit voor < stinkende hyena >.
Maar op zekeren dag was Mafoeta verdwenen. De zwarte soldaten
van Sakania gingen op zoek in de bosschen. Een vond er een bloedspoor.
Toen ze het volgden, ontdekten ze het verscheurde lijk van het arme
zwartje. Een luipaard had hem gedood.
En de negers sloegen de trommel, en ze dansten den doodendans :
<< E mwana fwidi e !
< H< mijn kind is gestorven >
En de mannen verborgen zich diep in de bosschen en in de hooge
grasvelden. Ze waren bang, dat de zwarte soldaten hen zouden opvan-
gen en stoker maken.
WYant ze zeiden wonder mekaar : << De geesten hebben Mafoeta ge-
dood I Ze hebben Mafoeta gedood omdat hij op den massoea werkte !
Nu had ik nog zes stokers. De schrik was echter de arme kerels ook
om 't hart geslagen. Den dag daarna waren er twee gevlucht.
14










Met vier man kon ik niet meer vertrekken. We moesten kost wat kost
nieuwe stokers vinden Zou ik soldaten opeischen ? Daarop zat ik te
mediteeren, terwijl de vier trouwe overgebleven zwarten den oven stook-
ten, om stoom te make.
Toen kwam daar just Kalikoni aan. Een groote, struische klepper van
rond de veertien jaar. In Congo immers zijn.jongens van dien ouderdom
volwassen mannen !
Wat moesten we lachen om zijn onnoozel broekje, om zijn vettig
halsboordje en... Heere God !... omdien gedeukten ouden hoogen hoed !
Maar hoe fonkelden daaronder twee plezierige oogen, en wat een stel
ijzersterke, witte tanden schitterde tusschen zijn dikke lippen. En een
plattere neus dan de zijne was er in den heelen Katanga zeker niet te
vinden !
Met veel bluf nam hij zijn hoed af en boog tot aan den ground. Dan
stond hij te gapen naar de machine te gapen, dat zijn mond tot aan
zijn oorlellekens openstond.
Hij wees naar de wielen, maakte een draaiende beweging met de hand,
en lachte. Hij wees naar den ketel, stak zijn zwarten buik vooruit, wreef
erover, en lachte. En lachende wees hij de schouw aan, en den tender.
Eindelijk raakte hij heimelijk den trein aan, maar trok onmiddellijk vol
angst den finger weg. Dan keek hij verlangend en smeekend omhoog :
wat had hij lust om er eens op te klimmen De schrik echter was te
groot.
Ik deed ongemerkt teeken naar een paar zwarte soldaten. Ze kwamen
op de teenen naderbij, en knipoogden naar mekaar. Er werd een net
gestrikt voor het vogeltje uit Kigeti.
< Hoe heet ge, boy ? > vroeg ik.
S- < Kalikoni o zeer goede Bwana > en hij nam hoogst onderdanig
den hoed weer af.
Enne... hoe oud zijt ge, Kalikoni ? >
< Vier jaar, o Bwana, vier jaar >
Ik most mijn buik vasthouden van 't lachen. Vier jaar oud en zoo
groot als ik zelf Maar dat zeide hij misschien, omdat hij niet ver-
der kon tellen.
< Kalikoni klim op den massoea. Ge zult me helpen. Ik benoem
u tot stoker in dienst van Boele-Matari, den Staat !
De sukkelaar werd van ontzetting grauw als asch. Hij begon te been,
dat zijn hoed er van schudde en keek akelig scheel. Snel en schichtig als
een wild dier zag hij om.
15










De soldaten stonden achter hem. Ze lieten hun witte tanden zien. Ze
sloegen met den kolf van hun geweer heftig tegen den ground. De vogel
was gevangen...
<< Kalikoni, klim op
Hier en daar kwamen nu negerinnen aan, met kinderen op den rug, en
kinderen aan de hand. Ook slopen er omzichtig eenige mannen dichter-
bij. De vier zwarte stokers, die op het stookhout stonden, begonnen te
zingen.
< E mbembo ya Boele Mbari ya Boye !
Bio bivwete nsalaba ya Boele
< De Staat, beste jongens, de Staat geeft ons schoone kleederen,
schoone panen om ons te kleeden >
< Hoort ge dat, Kalikoni ? De witten zullen u schoone kleeren,
mooie panen geven Een school loon zal de Staat u schenken. Mata-
bisch, veel drinkgeld, zult ge van den Staat hebben I!
Er gleed een glimlach over het aangezicht van ons zwartje. Zijn ster-
*ke, witte tanden glinsterden. Hij steeg op de locomotief en keek trotsch
als een pauw naar de andere stokers, naar de armzalige simbek's met
hun bange bewoners, naar de verwaande soldaten, die meenden dat hij
bang was. En de toeschouwers kwamen nog dichterbij en zongen weer-
cm het lied der schoone panen. Kalikoni zette de borst nog hooger op,
Ifrutselde wat aan zijn halsboordje en duwde zijn geblutsten hoed stijf
'cp zijn kop. Was er ooit in Katanga, in Afrika, ja in de wereld een def-
,tiger gekleed stoker dan hij geweest ?
Vastbesloten van het goed te doen begon hij te moeiallen. Eerst ver-
brandde hij zich geducht de vingers aan de ijzeren ovendeur. Hoe boos
'keek hij toen de andere stokers hem feestelijk uitlachten. Daarna trok
hij ergens bij ongeluk een gummislang af, zoodat hij een klets heet wa-
ter in zijn zwart gelaat kreeg.
Hij pakte zoo'n schrik, dat hij van de machine wilde springen. Ik had
hem echter nog net bij zijn broekje vast.
Maar erger werd het, toen hij aan de stoomfluit trok. Het gegil van
de fluit weergalmde tot ver in de bergen. Met &en onvoorzienen sprong
wipte Kalikoni over de koppen van de onthutste soldaten en vluchtte tus-
schen het volk door !
Heel de bende er achter !
Het duurde niet lang of ze haalden den bangerik onder een houtstapel
uit. Hij had de balkjes over zich getrokken, en was zoo erg geschramd,
dat een blanke er bij zou gehuild hebben. Maar negers hebben harde
16









koppen, en willen geen pijn voelen.
In stoet werd de vluchteling teruggebracht. Ik dacht : ; Nu heb ik
veel weg van een koning der menscheneters, en Kalikoni moet den pot
in. x>
Alleman lachte hem op den koop toe uit. Ze zongen, dat het kletterde :
-- Na Nkanza kisambale mpambe I
E Nsansi balengo niangi I
c Heer Nkanza, hij heeft geen paan 1
He, Nsansi, hoe slordig loopt men rond I >
Dat was te erg voor Kalikoni. Zooals alle zwarten was hij ijdel. Hij
held van spiegeltjes, ringen en gekleurde lappen; hij keek jaloersch naar
de schoone blauwe vesten en broken van de soldaten en naar de blik-
kerende drinkbekers van de stokers. Geen wonder dat hij nu reeds zijn
.wapens kwijt was Hij had namelijk bij het binnenkomen van Sakania
den blanken officer ontmoet, en heel het boeltje verruild tegen een schit-
terend koperen armbandje van vijf en twintig centiem. Nu wilde hij
geld verdienen om zich school te make I
< Bwana Mampa I ik wil geld verdienen. En ik zal roode panen
koopen, blikken bekers, en een deken met strepen, een lepel en een mes.
En een muziekske. En fijner zal ik zijn dan al die luie jakhalzen ginds 1
Sindsdien bleef Kalikoni trouw op de locomotief en weldra was hij
zoo knap als Mafoeta zaliger.




KALIKONI VERJAAGT DEN LEEUW,

Boy, mijn sjiek laten liggen I ,
J Ja, Bwana Mampa I
We waren met onzen trein op weg van de mijnen van Congo-Star
naar de gieterijen van Lubumbashi. We hadden wagens geladen met
harde, lichtgroene broken. Het was erts, waaruit te Lubumbashi koper
werd gesmolten. Daar werd het dan in balkvorm gegoten en naar Europa
verzonden. Onze vracht woog geweldig zwaar. Daardoor bolden we dan
ock traagjes aan door de bosschen van dunne, kreupele boomen en de
wide grasvelden van Katanga.
< Hier is een leeuw opgemerkt door mister Verner r T zei Kalikont.
Moest hij dear in 't gras rondsluipen, ge zoudt hem niet eens zien I
17










Ja 't was er hoog genoeg voor. En eenzaaml Er waren geen dorpen, zelfs
geen simbek uren in het rond. De zon brandde ongenadig. Daarbij kwam
de hitte van den oven. De heete lucht trilde als boven een gloeiend kom-
foor. Het zweet lekte ons van het lichaam en ons keel was poederdroog.
Nu going het berg op. De locomotief kuchte en krochte, Ze was, och
arme ook buiten adem. Het vrachtje was -1 te zwaar. De stokers had-
den hard werk. Eenigen hielden het niet verder uit en sprongen van
den tender om nevens den trein te loopen.
< Boy, van mijn sjiek blijven, zeg ik !
c Ja, Bwana. >
Op de machine rookte ik weinig. Het was slecht voor de oogen en
verdroogde den mond te zeer. Ik pruimde des te meer, hoewel dit ook
at te keuren is, maar... het was nu eenmaal z66. Soms echter viel er op
te passen. Nu eens waren er boomen over t spoor gevallen, soms was
een brug weggeslagen door den stortvloed. Of het gebeurde, dat de re-
gens den spoordijk uitspoelden, en dan was er alle kans om de diepte in
te kantelen.
Dan legde ik mijn pruimpje opzij, en lette scherp op. En telkenmale
was Kalikoni er mee weg. Zoo verzot zijn die mannen op tabak. Ze ra-
pen de pruimpjes van de blanken uit het stof op en drogen ze. Daarna
wrijven ze die fijn en kunnen snuiven I
Nu was er weer kwaad werk. De trein going moeilijk omhoog. Mijn
sjieksken lag opzij. Kalikoni zag scheel van de goesting.
Stoken, boy's I Allemaal stoken I We hebben geen drukking 1
Het hout vloog in den oven, de vlammen sloegen met likkende, roo-
kende tongen naar buiten. Het zweet liep nu in lange, dikke druppels
van onzen neus. We zaten in een hel: die zon en dat vuur. O Antwer-
pen, wat benijdde ik uw koele huizen en uw frissche dranken en uw
lavende ijsroomwafeltjes 1

Daar stopte de trein, midden in de wildernis. De avond going vallen.
Opeens klonk er een wild gebrul door de bosschen en weerkaatste te-
gen de bergen......
Bonk... bink... bank... De stokers lieten hun houtblokken val-
len en sidderden.
< Bwana Bwana I de leeuw {
Ik werd koud tot in mijn teenen.
Stoken, boy's, vlugger stoken I )
18










Kettingen begonnen te knarsen. Een gepiep, een lang gekraak. De
trein bewoog een weinig. Weer stop.
< Daar is hij Bwana hij, de leeuw >
Er was in 't bosch een zwartgebrande open plek. Traagjes naddrde er
lets over die kale vlakte. Nu bleef het staan. Het was een katachtig dier,
een machtig vaal dier. Een leeuw. We hoorden duidelijk zijn start te-
gen den ground aan kletsen. Hij hief den zwaarbemaanden kop in de


Het was een katachtig dier.


lucht, schudde de dikke manen en sperde den muil vreeselijk wijd open.
Zijn gebrul daverde een uur in 't ronde.
De avond viel snel. Reeds zagen we de oogen groen vonken als die
van een kat. Weer kwam hij nader, met opgetrokken nagels, onhoor-
baar, als op fluweelen kussens. Klaarblijkelijk was het monster met slech-
te inzichten bezield.
Ik greep mijn Winchester. Een prachtig geweer. Ik had het eens ge-
kregen te Bulewayo, toen ik een Engelschman het lIven redde. Zou het
pu het onze redden ? Er zaten dumdumkogels op. Als het ondier er een
19









van in zijn kop kreeg, zou die uiteenspatten als een rotte appel. Maar als
het er eens nevens going ? ?
Ik mikte. De leeuw kwam dichterbij. Ik mikte weer. Mijn hand beefde.
Ik zon hem nooit kunnen raken. Als ik miste was hij in tien sprongen bij
ons. En dan ? De leeuw was nu op vijftig meter afstand.
Opeens verschoot ik geweldig, sloeg mijn handen tegen mijn hoofd
aan en liet mijn geweer vallen. Wat was dat ? Kalikoni thing aan de
stoomfluit en deed ze huilen als duizend duivels :
< Zjiep, zjiep, zjie-ie-ie-iep I -
Jongens, jongens, wat een vervaarlijk lawaai maakte die fluit daar in
de wilde wouden. En hoe weergalmde 't te alien kante in berg en dal.
En... ?
Ja, ge hadt me daar den koning der dieren moeten zien 1 Hij schrok
net zoo goed als ik en keek versuft rond. Hij betrouwde blijkbaar het
spel niet meer, keerde zich om en going met den start tusschen de pooten
aan den haal. Zachtjes, zachtjes met katachtigen zwier, zachtjea zooals
het overigens een koning betaamt.
Het hout van den tender scheen ook op de vlucht te willen slaan, want
het kwam op heel de oppervlakte in beweging. Gelukkiglijk waren het
maar de stokers, die voorzichtig weggekropen waren, en nu weer te voor-
schijn kwamen. Wat keken ze eerbiedig naar den dapperen Kalikoni.
< Ik wist wel dat de leeuw ook bang zou zijn, net als ik de eerste
maal I 3 lachte mijn slimme boy.
Ik klopte hem vol tevredenheid zachtjes op den rug : ( Knap gewerkt,
Kalikoni Daaraan is matabisch verdiend, hoor I En ik gaf hem een
blinkend halffranksken.
Toen wilde ik mijn pruimpje nemen. Het was weg. Ik bekeek Kalikoni.
Hij trok het onnoozelste gezicht ter wereld. Ik duwde mijn vinger tegen
zijn gezwollen rechterwang, en lachte. Hij ook. De deugeniet was er
eens te meer mee weg.
Eenige minute later hadden we voldoende drukking om boven te
geraken. Door den sterrennacht bommelden we naar Lubumbashi toe. Bo-
ven op den tender zaten als zwarte standbeelden de stokers, en zongen
lofliederen ter eere van Kalikoni, den leeuwenverjager I


20











UT ET EVEN VAN DE STOKRS.


De negers waren zoetjes aan den trein gewoon geworden. Ze werden
er zelfs bevriend mee en gebaarden er al het fijne van te weten. Als we
in het station stonden kropen de jonge zwartjes soms wonder den trein,
cm er het geheim van te ontdekken. Zulke dwaze dingen durven blanke
jongens ook wel eens aanvangen Maar ze zullen zich niet zoo flink hou-
den als het negertje, dat we eens buiten ons weten te Mokambo de vin-
geren afreden. Die huilde niet eens, en was alleenlijk erg boos. -
We konden nu stokers krijgen bij de vleet. Er was dan ook een groot
loon te verdienen bij de witten. Voor elken dag trouwen dienst ontvingen
de negers een halffranksken. En daarbij deelde ik dagelijks een kilo meel
uit yan negerkoren of sorgho.
Op het einde van de maand was het betaaldag. Dan haalde ik de cen-
ten boven en mijn mannen dansten van vreugd.
Soms had ik honderden stukjes van vijftig centiem. Eens legde ik er
voor tien frank van op de tafel, en daarnaast drie stukken van vijf frank.
Wat zoudt gij gekozen hebben ? Kalikoni en zijn maten grabbelden vlug
naar de halffrankskens Ze dachten op die manier het meest te hebben.
Natuurlijk kregen ze er nog tien bij, want negers bedriegen is ook schan-
delijk. Dan zongen ze, dat mijn bungalow er van dreunde.
Ook met het sorghomeel waren deze groote kinderen gemakkelijk beet
te nemen. Negers zijn toch zoo eenvoudig lederen morgen nam ik een
rechte blikken .doos. Ze kon just een kilo meel bevatten. Dat was hun
rantsoen. Ik vulde dan de doos en streek het meel gelijk met een late.
Bwana, >> bedelde Kalikoni, c geef me nog een toemaatje I Toe
meester, doe er nog wat bij I
In 't geheim legde ik op den bodem van de doos een knap passed,
dik blokje hout. In 't vervolg gaf ik telkens een rantsoen met een toren-
tje. En onze vrienden waren den koning te rijk. Zelfs kwam me Kalikoni
na een week in vollen ernst vertellen, dat hij vet aan 't worden was.
En omdat ik hen niet mishandelde, noemden de dankbare jongens me
< Bwana Mampa > wat zeggen wil : < Meester-Brood of < Meester
zoo goed als brood .
-- < Bwana, > bromde Kalikoni, < het vuur verbrandt ons. De Staat
zou ons wel een paan mogen geven. >
Zoo was het. Uit de schouw van mijn locomotief vlogen onophoudelijk
21










,knetterende sprankels gloeiend hout. Ze kwamen op den blooten rug eh
armen van de zwarte sukkelaars terecht, zoodat ze vol blaren stonden.
< Goed jongens, ik zal dekens vragen >.
Ik kreeg de dekens en deelde ze uit. Alleman was blij. Ze sloegen het
geschenk om het lijf en leden voortaan niet meer van de vuurgensters. 's
Nachts kropen ze er diep in, en zaten dan als vormelooze zwarte spo-
ken boven op den houtstapel in den tender.
Doch het schoone leven duurde niet lang. Een week later stonden ze
weer in hun broekje voor den oven, en lieten hun rug verbranden. Ze had-
den eenvoudig de dekens versjacherd in het Grieksch bazarke van He-
liopoulos. Daarna hadden ze bij dien sluwen handelaar het geld opge-
dronken in jenever.
Ik was geducht boos, maar Kalikoni meende : < Bwana, dekens deu-
gen niet. Ze zijn te 1omp. Geef ons blauwe kleeren 1 1 I
Alle stokers kregen nu een overall in blauw lijnwaad. Twee dagen la-
ter hadden ze er de pijpen afgeknipt en de lappen aan de negerinnen ver-
kocht.


Waren mijn stokers nu maar even vlug geweest bij 't werken als bij
het sjacheren Maar ze werkten heelemaal niet graag. Nu, dat is toch
wel wat te begrijpen. In Congo is het zoo almachtig warm Bedenk
maar eens hoe lui gij wordt in den Zomer. Dan valt ge soms in slaap in
cd klasse, en op de speelplaats voelt ge u te lamlendig om tegen een bal
te shotten. De Kaffers uit Engelsch Congo, ja, die konden doorzetten,
n:aar onze negers waren Baloeba en geen Kaffers.
Als ge zeidt : 1 Loefoeki, haal eens vlug een vaatje smeerolie 1 dan
kroop hij recht met een hangende lip, slenterde met lange beenen naar
het magazijntje. Maar spoedig kwam hij weer :
Te zwaar, Bwana Mampa 1 ;
En dan gingen ze gevieren. Zoo'n vaatje weegt een dertig kilo, zoo-
veel als een halve zak patatten.
Maar als ge mompelde
< Er moet een zak sorghomeel gehaald worden en alleen Loefoeki
is vrij... > dan spring de rakker op als een gazelle en keelde
Ik kan hem heel goed alleen dragen >
< Och neen, het is te zwaar voor een man >
.- >
En dan liet hij zijn spieren zwellen als een worstelaar.
22









ban... kwaad hadden de boy's het ook vaak. Ik kan niet zonder oni-
roering terugdenken aan den armen Loewembe. Het gebeurde te Mikola,
meen ik... We waren hout aan 't opladen langs het bosch. Hier bij ons
schuilen, wonder een houtmijt, gewoonlijk rupsen, slakken en spinrien, niet?
In Congo kropen er slangen wonder weg. Toen de stapel bijna opgeladet
'was, school er bliksemsnel zoo 'n kruipdier wonder uit, en trachtte te vluch-
ten. Ongelukkiglijk stond Loewembe in den weg. Woedend richtte de
siang zich op den punt van den start op en sprong, kronkelend als een
touw op den stoker toe. Hij kreeg een beet in de kuit en rende huilend
het bosch in.
Een slag met een tak en de slang lag te stuiptrekken. Daarna op den
loop achter Loewembe. We vonden den armen drommel eerst tien mi-
nuten later. Hij lag ineengedoken in het gras. In zijn doodskramp had
hij eenige halmen uitgerukt en er was een groote, witte bloem op zijn
hart gevallen. Met die bloem hebben we hem begraven te Mikola. En
telkenmale ik hier margrieten zie, denk ik aan den armen boy. En dan
besef ik maar best, hoe rustig en gelukkig wij hier leven.



KALIKONI WORDT HUISKNECHT.

< Kalikoni, sprak ik op zekeren dag, < ge moogt niet meer stokenl
;Hij verschoot van kleur en bleek echt verdriet te hebben.
< Troost u wat 1 Ge wordt boy bij Bwana Mampa 1 Ge zult vanaf
vandaag in den achtersten wagen slapen als we op reis zijn. Ge zult mijn
eten bereiden. Ge zult den wagen rein houden. Ge zult rupsen, mieren en
slangen buitenhouden. En als we te Sakania zijn, zult ge bij mij in mijn
bungalow wonen, en koken, wasschen en plassen I
Kalikoni was weer tevreden. Boy zijn leek hem een groote eer toe.
En een gemakkelijk leven hadt ge dan, man I En matabisch was daaraan
te verdienen : 4 plenty, 6h I a
Vanaf dien dag was het lachend zwart gezicht van Kalikoni te zi.
in den laatsten wagon als we op reis waren, en in mijn bungalow, wan-
neer we this bleven.
Eens zei hij echter : < Bwana, betaal me uit, ik blijf niet langer I
A Waarom niet, boy ? >
Hij zweeg en trok een bang gelaat. Maar van toen af was hij still en
23










tong niet meer. Wat scheeide hem ? Was het misschien het heim-
wee, dat zoovele negers doet vluchten naar hun geboortestreek ? Dik-
wijls ook trok hij met zijn gezellen naar een afgelegen plaats om te pa-
laberen. En als ik vroeg a Welnu, wat hebt ge besproken ? > bleven al-
len stom als visschen.
Doch op den betaaldag belegde ik de tafel met nieuwe halffrankskens.
c- Kalikoni I voor de laatste maal, waarom wilt ge vertrekken ?
Hij zweeg.
Goed. Ik betaal niemand. v
Stukje na stukje verdween rinkelend in mijn geldbeursje. Nu en dan
ademde ik er nog eens over, om ze mooier te doen blinken. Alle stokers
begonnen te morren,
B3wana, ; zei Nzima plots, 4 ik zal het u zeggen I Kalikoni be-
weert dat ge een menscheneter zijt I > En ze begonnen ineens alien te
knikken gelijk de negertjes van 't missiebuske.
Ik proestte het uit : 1 En waarom denkt ge zoo'n malle dingen, boy ? y
Kalikoni rende naar onzen wagen en keerde na eenige oogenblikken
terug met een emmertje. In zulke emmertjes kwam boter uit Denemarken.
Er kleefde een etiket op en daarop stond een frissche Deensche boerin
afgebeeld. Kalikoni wees sidderend naar de boerin.
-e Dat is een wit manamoeke. De witten dooden de blank-e manamoe-
kes. Dan smelten zij hun vet. Het is zeer fijn vet. Ik heb het geproefd.
Maar als het vet van de witte vrouw op is, zal dan Bwana zijn Kalikoni
riet uitsmelten ? :
Hahaha I... Ik beproede mijn knecht aan 't verstand te brengen wat
boter is, maar hij wilde het niet aannemen. Daarom besloot ik :
En daarbij Kalikoni, uw vet zou ik rooit willen eten. Het is niet
fijn genoeg. Het stinkt. Blijf hier, maat. En koop gij een spiegeltje bij
Heliopoulos. Hier zijn twee halffrankskens matabisch.
En hij going niet weg.



< Toch kunnen de wiften tooveren I > zei Kalikoni eenigen tijd later
tegen Nzima,
Ik hoorde 't just : Waarom dan, domme vent ?
H eer Matthe heeft een tuig, waarin een geest zit. Ik heb den geest
duidelijk hooren lachen, lachen en spreken I en fluiten De witte too-
venaars kunnen meer dan onze medicijnmannen.
-24.









Hij bedoelde den fonograaf van Matthe. lederen avond liet deze
Vlaamsche liedjes en muziekstukken afrollen. Dan zaten de negers stom
van verbazing en met schrik in 't hart voor hun armzaligen simbek.
's Anderdaags noodigde ik Matthe met zijn fono uit op een thee in
mijn bungalow. We brachten een recht gezelligen avond door. We praat-
ten over 't verre, verre vaderland en speelden ter afwisseling liedjes uit
Vlaanderen. Kalikoni keek vreesachtig in den horen. Hij ontwaarde er
niets in. Ik nam den horen af. Hij schudde er mee en blies hem door.
Er viel niets uit. De stem kwam bijgevolg uit het kastje.
< Wie zit er in, Bwana Matthe ? -
Matthe deed zijn oogen rollen en sprak kwaadaardig : Ik had een
boy. Die boy was een dief. Hij stal mijn zout om het op te snoepen.
Hij pruimde mijn tabak op. Hij trok nagels uit mijn bungalow om ze
voor zich te houden. Daarom beval ik : Dief, kom hier in I En hij zat
er in. Nu zingt en fluit hij wanneer ik wil >.
Ik ga afwasschen v murmelde Kalikoni met bevende lippen. 's An-
derendaags vond ik op mijn tafel een eindje potlood, een mes, drie ko-
peren knoopen en een pakje tabak.
Kalikoni vanwaar komt dit alles ? Dat mes en dien tabak had
ik verloren. Waar hebt ge dat teruggevonden ? -
< Ik, heer, o neen. Dat lag daar. Misschien had een dief schrik
van heer Matthe ? Misschien heeft een dief alles weergebracht ? Neen,
heer, ik niet. s
En hij going de rupsen van de muren halen. Wie kan die dief toch ge-
weest zijn, zeg ? Er was niemand dan Kalikoni bij mij binnen geweest...



Volgens onzen friend konden de witten alles. Hij verwonderde zich
over niets meer. Bij de schoonste machinerie zei hij droogweg : c Na-
tuurlijk, 't is van de witten I >
Hadt ge hem bevolen, gelijk die oude kluizenaar in 't gedichtje :
Steek me daar dien wandelstok in 't zand, en begiet hem federen dag,
tot er bananen aan komen, > hij zou het gedaan hebben.
En als ge 't niet gelooft, luister dan maar eens naar deze waarachtige
geschiedenis van de keiensoep :
Een paar weken geleden, na de fonograafhistorie, zaten we zonder
kookvleesch. Daarmee was Kalikoni niet erg in zijn nopjes, want nu kon
bhj geen soep meer klaarmaken. Groenten immers waren er enkel in blik-









jes te koop, en die waren peperduur. Nu zeg ik zoo langs mijn neus we ,
enkel voor de grap :
< Neem dear eenige van die witte ronde keien beneden op den weg.
Als ge die goed reinigt kunt ge er fijnen bouillon uit koken !>
Kalikoni bekeek mij half ongeloovig, half twijfelend.
Welnu, hoe lang nog ? >
Warempel I hij liep de deur uit, en na weinige minute rammelden de
keen in den soegketel. Ik had plezier in het geval gekregen en stond er
gedurig met mijn neus bij. Ik maakte de opmerking dat er een te dik kei-
tje bij lag, en wierp vlug, wanneer hij het going vervangen, een blokje
vleeschextract in het kokend water.
Mijn kok was hoogstverwonderd het eerste oogenblik, dat hij den lek-
keren geur gewaar werd, doch bedacht zich dan :
< Natuurlijk, als de witten het zeggen I
Met listen en lagen kwam ik er toe verscheidene blokjes in den ketel
te smokkelen en de keien er uit te tooveren.
En we aten uitmuntende keiensoep.
Het leukste van 't geval is nu dat 's anderdaags al de blanken van Sa-
kania water met keien in hun teljoor kregen. Mijn boy namelijk had het
wonder aan al zijn medekoks in kleuren en geuren verhaald, en de deu-
genieten hadden het rantsoen kookvleesch naar hun this gedragen, en
keien in den pot geteld.
En of er dien dag te Sakania met de zweep werd gewerkt Al de
koks liepen met een gestriemden rug en scholden Kalikoni uit voor den
gemeensten bedrieger op aarde 1



DE ONTRIGGELING IN DE WILDERNIS.

Niet lang daarna beleefden we een avontuur dat noodlottige gevolgen
had.
Het was ergens diep in de bosschen voorbij Mikola. We voerden een
trein met bouwmaterialen : ijzeren liggers, cement en steen naar Elisa-
bethstad. Kalikoni zat te luilakken op den tender. De stokers hadden
werk aan den oven; de machine werkte op volle kracht, want hier wa-
ren we aan een kort, maar heel steil bergje. Gewoonlijk gingen we daar
glad over, maar deze maal was 't mis.
26









Tot mijn verbazing zag ik de spoorlijn gansch overdekt met rupsen.
langer en dikker dan mijn middelvinger. Er waren er miljoenen. Het
bosch waaruit ze kwamen, was dan ook heelemaal kaal gevreten. Het
leger van die walgelijke beesten was minstens een half uur lang, en 'k
weet niet hoe breed.
Eer ik me goed bedacht had, zaten we er natuurlijk midden in. Hon-
derden, duizenden, rupsen werden weggeblazen, weggeslingerd. Tiendui-
zenden werden door den trein tot een groenbruine brei gemalen. We bo-
terden zoo in rupsenspijs, dat ik er haast misselijk van werd.
Geen wonder dat de wielen begonnen te schuiven. Ze draaiden zot in
het rond en hadden nu geen vat meer op de sporen. De locomotief
hijgde zwaar, kreunde en krochte, maar ze kon niet meer vooruit. Daar
begon ze zelfs achteruit te schuiven, den berg af I Ik sloot de remmen.
De remblokken klemden vast op de wielen. En toch gleden we zoetjes
achterwaarts. Dat kwam door de vettige brei van al die vermorzelde
rupsen.
Eindelijk stonden we still. Ik loste de remmen en begon weer uit volle
mahit berg op te stoomen. Zouden we die ellendige diertjes niet kun-
nei overwinnen ? Wachten mocht ik niet : dat kon immers uren en uren
duren ?
We gingen omhoog : twintig meter, vijftig meter. De machine blaas-
de en brulde als een stier. Honderd meter I Dan : een verschrikkelijk
gekraak, een janken en rammelen van kettingen, een zware schok. De
negers schreeuwden als apen. We zaten van de sporen, waren ontrig-
geld... De meeste wagens lagen omgekanteld. De achterste stond op zijn
kop. De dooreengeworpen balken en steenen deden aan een bouwval
denken. Het scheelde niet veel of we waren in een diepte gestort, en dan
zou ik u niets te vertellen hebben gehad.




In het bosch kwam de duisternis aangetreden. Ze hulde struiken en
stammen in haar paarse sluiers, zond een weldoende koelte door het ge-
bladerte, en lokte de wilde dieren uit hun schuilplaats.
-- Kalikoni, het wordt avond. We moeten hier overnachten. Laat
hout stapelen nevens de machine. We zullen vuur maken. ,
De stokers bouwden een grooten kring van hout. We gingen er bin-
nen in zitten. Het werd moeilijk om mekaar nog te onderscheiden. Een
27










schop gloeiende asch uit den oven deed het hout ontviammen. De neger
kregen roode gezichten en zagen er recht spookachtig uit.
Nu was het donker. In Congo is weinig schemering. Nu is het licht,
binnen een paar minute nacht. De vlammen sloegen hoog op in de duis-
ternis. Kafoeboe going round om het vuur te onderhouden. Kalikoni haalde
water op de locomotief en maakte sorghodeeg. Dan nam hij een pannetje
en bakte koeken.
T Toen de witten hier nog niet waren, bakten we soms onze koek-
jes in den ground, a zei Loefoeki.
a Hoe dat ? :
I We maakten een kuiltje en lieten daarin veel hout branden. AIs
er gloeiende asch was, draaiden we onzen deeg in bladeren. Dan het
putteken in, aarde daarover, en boven op weer maar hout gebrand. Zoo
werden de koekjes gaar. >
Maar een aap bakken we z66 niet, Bwana >, kwam Nzima er
tusschen.
Hebt ge reeds een aap gegeten, gij ? >
< Of ik I Gisteren nog I Mister Johnson, de Engelsche douanier
had een grooten gelen aap geschoten. We kregen hem cadeau, want hij
had luizen. We hebben hem tusschen twee omgevallen boomen gezet -
op zijn hurken I -- en er een vuurtje wonder gestookt. Als de billen gaar
warren hebben we ze opgepeuzeld. >
c Hebt ge hem dan niet gestroopt ?
< O neen, het haar brandt er toch af 1 >
---- Nzima is een wilde I riep Kalikoni, t hij zou wel slakken dur-
ven eten I >
A Wel, wel, dat hebt ge toch zelf ook al gedaan, huisknecht Wie
lust er geen dik vet slakske ? Ham !... Ten andere, de blanken doen dat
ook. Mister Johnson heeft er aangekregen uit Kaapstad. Ze lagen in 't
vet en kosten wel vijf frank de does I >
-- Hm I meende Kalikoni, C laat Mister Johnson die vijf frank maar
aan mij geven. Dan zal ik hem de plaats wijzen, waar hij zijn bulk vol
rupsen kan eten I1



SBij 't valley van den avond was de maan achter den rand van de ber-
gen opgekomen. Ze was zoo round als een cent. Het was volle maan.
De negers begonnen te huilen van vreugde. De maan is hun god, en
28










ze zijn blij als ze vol is. Is het half maan, dan denken ze dat de booze
geesten er stukken hebben afgehapt. Ze zongen nu liederen en kletsten
'daarbij in de handen. Een trommelde op een pot. Een ander danste v66r
het vuur. Kalikoni had lust om mee te doen, maar hij bedwong zich, trok
de schouders op en sprak minachtend : tBwana, 't zijn waarlijk wilden 1'
Heel ver weg hoorden we den tam-tam slaan. Het was ergens in een


Een ander danste v66r het vuur.


negerdorp, waar ook de maan gevierd werd. Daartusschen daverde het
gebrul van een leeuw, of het gemauw van een luipaard. Soms sloop een
hyena bij om afval van het eten te zoeken. We wierpen de restjes van
het avondmaal. Maar nu kwamen er weldra te veel afgezakt. Een wel-
gemikt schot deed dan de stinkende bende uiteenstuiven.
Kafoeboe wierp af en toe hout bij. Het was zeer koud. Zoo is Katan-
ga : in den dag heel heet, des nachts koud. De stokers sloegen hun de-
ken om, en ik kroop diep in mijn dikken overjas. En nog rilde ik 1
s Waren die rupsen daar niet geweest, dan sliepen we nu in een
gimbek > bromde Kafoeboe,










Ge hebt een vuil land met al die lastige insekten geeuwde ik.
< Zeker, Bwana. En wees nu maar blij, dat die ginds niet over
komen I > Hij wees in het bosch. Ik keek opzij. Op eenigen afstand ont-
waarde ik een rookwolk, die in het maanlicht opsteeg.
Termieten, Bwana I > verklaarde Kalikoni.
Ja, het waren van .die verschrikkelijke mieren met vleugels, die
's nachts opstijgen uit hun mierenhoop. Zoo 'n nest kan hooger zijn dan
'n bungalow en lijkt goed op een ronde negerhut. Het is vervaardigd uit
klei, strooitjes en takj.es, en heeft duizenden gangetjes. Wat 'n werk moe-
ten die diertjes daaraan gehad hebben. En sterk bouwen ze wel, hoor I
Het is ons te Sakania gebeurd dat we dynamiet moesten aanwenden om
mierenhoopen op te ruimen. En hoe verni-etigend ze te werk gaan. Als
ze een simbek overvallen, laten ze er niet veel meer dan houtgruis van
over. Van de sterkste offers blijft geen plank meer heel wonder hun
kaken na een paar uur. Daarom stonden onze bungalows op ijzeren pa-
len en hadden we stalen offers. Ge begrijpt dat de mieren al die kar-
welen met veel manschappen uitvoeren I Eens going ik op jacht. 't Was
zeven uur in den morgen. Aan den woudzoom ontmoette ik een leger
roode mieren zonder vleugels, dat opmarcheerde. Het was een hal-
ven meter breed. Ik sprong er over en going voort. Toen ik weerkeerde
om drie utr 's namiddags, waren ze nog niet alle voorbij Toevallig had
ik er eenige van op mijn kleederen gekregen. Ze beten dwars er door
in mijn been. En wanneer ik ze er uittrok, bleef hun venijnige kop in
njijn vleesch hangen.
Wie weet wie de slimste is, vroeg Kalikoni, de kleine zwarte
mier of de roode mier ?
< De reizende mier antwoordde Loefoeki.
Mis, de kleine. Ik zal u dat eens vertellen. Ik heb het gehoord
van de moeder van Kipini.
Allen luisterden aandachtig naar het verhaal van Kalikoni.
< De reizende mieren ontmoetten eens de kleine. Ze hadden veel
praats ef zegden :
< Laat ons zien wfe van ons het sterkst is. Wie kan er de huid van
een mensch stelen om ze op zijn trommel te spannen 7?
Aangenomen antwoordden de kleine mieren. We kunnen het
winnen en zullen het winnen I
SOnmiddellijk lieten de reizende mieren de oorlogstrommel slaan, ver-
zamelden hun leger, scherpten hun kaken en gingen oorlog voeren met
de menschen.





1. OF F. LIBRARIES










Ze botsten op een groep lieden, die door het bosch naar de market
gingen.
De reizende mieren kropen op de voeten van de menschen en been
zich vast om een stuk huid af te stroopen. Maar de menschen stampten
hen plat, wreven hen in morzels en gingen lachende voort. Nu dropen
de reizende mieren vol schaamte af naar hun dorp.
De zwarte miertjes waren slimmer. Ze zagen een mensch, die zijn
wonder going reinigen in de wateren van een river. Ze slopen hem stille-
kens achterna. Hij liet de huid van zijn wonde in 't gras liggen. Ze na-
men die huid op en spanden ze op hun trommel,
De roode mieren zeiden, toen ze de kleine ontmoetten : < De mensch
is sterk. Niemand kan hem overwinnen I >
< Maar wij wel I riepen de slimmeriken; ze toonden de trommel.
En de reizende mieren stonden verbaasd over de macht van de kleine.


Het was tegen den morgen aan. Het werd nog kouder. Ik huiverde
en voelde me ziek.
< Hoort, riep Nzima, C er komt hulp I >
Inderdaad, veraf klonk een schril gefluit en weldra hoorden we het
regelmatig gezucht van een locomotief. Eenige minute later verschenen
een paar gloeiende oogen boven op den berg. Een hulptrein was daar.
Men vermoedde te Mikola, dat er een ongeluk gebetrd was, omdat we
niet warren aangekomen. De trein vertraagde en stopte op eenige meter
afstand.
Een ingenieur met een paar andere blanken kwamen op oils toegeloo-
pen. Spoedig zaten ze in onzen kring en ontkurkten een veldflesch rhum
om me op te warmen. Ik vertelde wat er gebeurd was en er werd be-
sloten aan 't werk te gaan; zoohaast de zon zou oprijzen. De ingenleur
had een wagen zwarten meegebracht om te helped.
Een weinig later lag ik te bed in een wagen en trachtte te slapen.



's Morgens lag ik met hooge koorts. Dat had de koude min aangedaan.
Ik werd te Mikola afgezet, en 't scheelde niet veel of ik werd er be-
graven. Want Congokoorts is heel gevaarlijk : op een dag zift ge er van
genezen of 4od, Ik lag met verschillige dekens op me te been van kou.
31










Ik vertelde allerlei gekken praat, sprong nu en dan recht en sloeg als
een wildeman met handen en voeten. Nu eens droomde ik dat miljoenen
rupsen de kamer binnenkropen of dat slangen rond mijn hals kronkel-
den. Dan weer : dat mijn vrouw en kinderen met boterbloemen en mar-
grieten aan mijn bed stonden.
Maar er was niemand dan Kalikoni. Hij zat een dag en een nacht
aan mijn ziekbed zonder te eten of te drinken. Hij dekte me zorgvuldig,
legde natte omslagen op mijn hoofd en liet frisch water tusschen mijn
droge lippen druppelen. Brave boy 1
De koorts eindigde bijna plotseling, en ik kon opstaan. Kalikoni kreeg
matabisch en liep naar Heliopoulos, zoohaast we te Sakania aankwamen.

Met Loefoeki was het erger gesteld. Die had een longontsteking op-
gedaan en stierf na weinige dagen. Zijn vrienden graafden een kuil op
't zwart kerkhof van Sakania en zetten hem met opgetrokken knieen
recht daarin. Dan vulden ze den put tot just boven zijn hoofd.
Acht dagen later kwamen ze nog eens zien. De aarde was omgewoeld,
het lijk verdwenen. De hyena's hadden het weggesleurd om het te ver-
scheuren. t Loefoeki is naar het geestenrijk, ; zeiden de zwarten. 1 Loe-
foeki is naar de maan. -



IS KALIKONI WEL EERLUK ?

Ge weet dat, bij onze terugkomst te Sakania, Kalikoni zich naar Helio-
poulos spoedde met zijn matabisch. Ik vergezelde hem.
Plots stiet hij een vreugdekreet ult en liep op een neger toe, die schuw
over den weg dwaalde.
< Kwale, mijn vriend ;
< Kalikoni I 1
/ Het was de beide zwartjes aan te zien, dat ze blij waren mekaar weer,
'te zien. Ja, dat was nu Kwale, Kwale uit Kigeti, die ook werk kwam
zoeken.
W Weet ge nog, Kalikoni, die gazellenjacht ? En dat dien dag Mu-
kono vertrokken is met zijn drie breeders. En met zijn zuster Nkenge ?
Zij is ook hier, Nkenge.
Al deze tijdingen deden deugd aan 't hart van mijn boy. Op zijn ver-
32










zoek bezorgde ik Kwale een plaats als boy bij Vernier. Deze was een
Luikerwaal, die veel van ertsen kende, en gedurig in de bergen op zoek
going naar nieuwe ertslagen. Zulke mannen heeten prospectors.


Kwale had echter het ongeluk te veel te lang-vingeren. Zoo stool hij
bij zijn baas een pakje tabak. Deze ontdekte het en riep een paar zwarte
suldaten. Hij deed den zwarte afzweepen dat het bloed er af drupte.
SIk kwam just voorbij en vond het afschuwelijk van Vernier.
<- Zeg, Vernier, zoudt ge dat spelleke nog niet doen ophouden ?
< Ik denk er niet aan. Voor mijn part mogen ze den dief kreupel
slaan. Hij verdient het
Hij verdient straf. Dat is waar. Niemand mag stolen. Maar me
dunkt, dat hij genoeg heeft gekregen. Laat dat eindigen of ik klaag u
aan !
t Dat hij zijn vingeren thuishoudt. Al de zwarten zijn dieven, die-
ven !
< En de witten dan, Vernier ? >
< V
( Zijn er dan geen blanke knechten, die stolen ? Drinken zij soms
niet aan den wijn van meneer ? Rooken zij niet van zijn sigaren ? >
< Dat is andere peper, > zei Vernier, < dat zijn geen zwarte hon-
den. :
<- Waarschijnlijk hebt gij nooit geleerd, dat alle menschen onze
naaste zijn. Enne... hebt gij nog nooit iets genomen, zeg ? >
< Ik ? 0 bulderde hij en stroopte zijn hemdsmouwen op. Ik sla
u knock-out als ge dat durft herhalen I...
< Welnu dan. Geeft gij uw boy het volle loon ? Neen. Laat ge hem
bijtijds rusten ? Neen. Geeft ge hem eerlijk sorgho en ander voedsel ?
Neen. Gij bedriegt den armen neger in 't groot, en ge laat hem lam ran-
selen voor een pakje tabak. En gij hebt nochtans geleerd, hoe zondig
ldit alles is >
Vernier was wit van woede. Zwijgend wees hij mij de deur. Ik going.



Die Vernier had veel kiekens. Ge weet dat in Congo weinig vee g e-
kweekt wordt. De tse-tse-vlieg steekt het, het wordt ziek en sterft. Maar
zwijnen, geiten, en bijzonderlijk kiekens zijn er veel. Deze laatste.zijn
55









klein en waren toen heel goedkoop. Voor 6en flesch bier hadt ge er vif.
Als ik het wild beu was, kreeg ik wel eens lust in een gebraden kip.
Daarom zei ik nu : < Kalikoni, hier is twee frank. Hoeveel kippen hebt
ge daarvoor ?
-<< Zooveel als franks, Bwana, >
< Koop dan een paar kippen waar ge kunt, maar niet bij Vernier. v
< Die is boosBwana. Ik haat hem. Kwale heeft me alles verteld. ;
Een uur later was hij daar weer. Hij droeg twee flinke kippen bij de
achterpooten. Ze waren reeds den nek omgedraaid.
< Flink zoo, boy, Ga ze klaarmaken. >
Kalikoni komt dicht bij me, en zegt iets in mijn oor. Ik schrik. Hij
toont me de twee frankstukken. Ik vraag :
< Hebt ge de kiekens gekregen 7 >
< Neen, Bwana. Stillekes weggehaald btj heer Vernier. Hi-hi-hi !
En 't zijn de schoonste 1
c Kalikoni, ge zijt een dief I >
Niet waar, heer, want hier is het geld toch ?
Maar de kippen hebt ge gestolen, slungel. >
'- Ik heb ze genomen bij een boozen man. En ik bewaar het geld
voor den goeden man. Dus is Kalikoni eerlijk. >
Gij verstaat dat niet, man. Draag dat geld bij heer Vernier. ,
Hij begreep niet met zijn arme heidensche ziel, dat hij oneerlijk was.
En ik wenschte dan ook vurig dat er spoedig een missiepost mocht op-
gericht worden in de nabijheid. Daar zou men hem wel leeren I
Het duurde lang eer hij durfde gaan. Tegen den avond kwam hij weer.
Hij knikte. Zijn hoofd was opgezwollen.
< Ay, ay, ay I kermde hij, z zooveel rammel krijgen om eerlijk (e
zijn geweest I Waarom heb ik dat geld niet gehouden ? Maar Kwale en
Kalikoni zullen zich wreken I
Hij hief dreigend de vuist op in de richting van Vernier's bungalow.
Kalm going ik naar den muur en nam de karwats. Dat help, want met
en sprong was mijn boy in de keuken, en zweeg.



Die keuken was Kalikoni's paleis. Toch werd hij nooit een fine kok.
In de gebraden kippen liet hij eindjes pluim zitten. Ook de darmen haal-
de hi niet goed uit. In mijn soep lagen altijd rupsen of kevers. In de
34











zoete Congoleesche patatten vond ik gewoonlijk mieren of women. Eens
was er een vlinder, zoo groot als mijn hand, in versukkeld.
Wat scheelt er nu weer aan die soep ? 7 dacht ik eenige dagen
na die kippengeschiedenis. De bouillon was geweldig zout. Ik had er
een dorst van om den ketel van mijn machine leeg te drinken.
<< Kalikoni, eet die soep zelf uit >
<0 ja Bwana >
's Anderdaags weer zeewatersoep. < Zou daar deugnieterij achter
schuilen ? peinsde ik. Kalikoni mocht ze weer uitlepelen. Maar den
derden dag going ik hem bespieden, terwijl hij de soep klaarmaakte. Ik
had hem de juiste maat zout gegeven, Doch nadat hij goed had rond-
gekeken, greep hij snel nog wat bij uit den voorraad en kletste het in
den ketel. Ge hadt zijn grimassen moeten zien : < Als de soep te zout is
voor Bwana is ze goed voor den zwarten man. ,
Op mijn teenen kwam ik binnen en gaf hem een tik op den schouder.
Wat schrikte hij I Zijn tanden klapperden plots also hij kou had. % Doe
er nog wat zout bij, vlegel nog nog Hij deed het. Genoeg. Eet !
Snel wat !
De zwarten eten gaarne zout. Maar nu was er toch te veel in. Noch-
tans at mijn kok de soep tot den laatsten schep uit. Daarna was hij zoo
ziek als een jongen, die zijn eerste pijp gerookt heeft. Hij dronk den
ganschen dag als een spons, en maakte in 't vervolg de soep te flauw.



Pannekoeken bakken echter, zie, dat deed hem niemand na: Dat heeft
hij te Tshinsenda getoond. We moesten daar nogal lang blijven
staan in de state. Ondertusschen was Kalikoni in zijn wagen panne-
koeken aan 't bakken. Hij was in zijn nopjes, want het going uitste-
kend : wat een kraakfijne bruine korstjes aan die dampende koekebak-
ken Hoe pruttelde de boter het vet van de Deensche manamoeke -
ea wat een geur steeg er op uit den wagen. Het was om dooden uit hun
graf te doen opstaan. Kalikoni voelde zich de god der koekenbakkers. Ein-
.delijk was de stapel klaar, de bloem op en Bwana Mampa riep om eten.
Kalikoni legde een witten handdoek over zijn arm, bekeek zich in den
spiegel, daalde uit den wagen, en liep over de kaai van het station. Die
was zoo groot als een klasse. Er was just plaats genoeg voor den chef
en eenige officieren, die te praten zaten.
Om die mannen goesting te doen krijgen. state mijn domme boy eeni-










gE malen over en weer met den stapel koeken op de hand. Hij rook er
aan, smakte met de lippen en lachte heimelijk -de blanken uit. Precies
of hij bedoelde : c Hier is het eten van Bwana Mampa. Gij moogt er
trek in krijgen, toch moet ge er af blijven, en ik zal er mee van eten. 3
De blanken hadden honger gekregen.
c Kom hier, zwarte aap, beval de chef, geef af uw koeken of ik
zwier u wonder den trein. > En of Kalikoni tegenspartelde of niet, op 66n,


Vt -I


De blanken hadden honger gekregen.


twee, drie waren de koekebakken verdeeld.
Ge hadt me moeten hooren donderen, toen hij aan de locomotief kwam
met hangend hoofd en een ledige teljoor. c Als er binnen een half uur
geen andere zijn, geef ik u het duchtigste pak slaag, dat ge kunt droo-
men I v
Hij vertelde niet dat de bloem op was en keerde op zijn stappen te-
rug. Nog geen half uur later kwam hij aangerend met een verschen sta-
pel pannekoeken. Er waren er nog meer dan daar straks.
Wat een geluk voor u, boy, dat ge noo bloem over hadt. v
36










-- Ik had er geen meer. Bwana. Anders had ik er nog meer geba-
ken. >
< Daar versta ik niets van, neger. Leg uit.
-_ De chef heeft uw koeken genomen. Ik ben als een luipaard naar
zijn keuken geslopen. Door het venster... Daar was de kas, en bloem.
En ook boter. De chef heeft immers uw koeken genomen. Ik had er nu
rog meer willen bakken, maar... .
Maar ? ,
De bloem van den chef is nu 66k op.
Ik toonde plagend een goudbruinen koek aan den statieoverste.
-4O 0! lachte hij, 4 in mijn keuken zit bloem genoeg. Aanstonds ga
ik er ook bakken "
Dat denkt ge zoo maar zei Kalikoni en hij deed een bokke-
sprong van plezier.



KALIKONI TROUT.

Sinds Kwale te Sakania woonde, bracht Kalikoni al zijn vrije uren
met hem door. Ze trokken saam de bosschen in, vingen vogels en klein
wild, en hielden lange palabers over Vernier. Kwale haatte zijn meester
vreeselijk en Kalikoni niet minder. Ze voerden iets tegen hem in t child.
Later kwam dat uit.
Vaak ook bracht hij een bezoek aan Nkenge, de zuster van Mukono.
Hij kleedde zich dan op zijn mooist en bracht allerlei geschenkjes mede.
Het best vaarde daar Heliopoulos bij.
Deze Griek werd hoe langer hoe dikker. Toen hij met mij in Sakania
aankwam, was hij zoo mager als een graat en arm als Job. Hij had een
wmkeltje geopend in een vuile tent en boog als een knipmes als we lets
kwamen koopen.
Nu had hij reeds een prachtigen bungalow. Zijn winkeltje was een
groote < store i geworden. Hij kreeg een buikje als een tonnetje en boog
voor niemand meer. Ja, Heliopoulos werd rijk, zeer rijk.
En dat was geen wonder. De witten kochten er alle dagen dure din-
gen : bier, wijn, groenten in bussen, aardappelen uit Europa en zoo meer.
Maar ook de zwartjes lieten zijn deur niet gerust. Al de blinkende half-
frankskens, die ze bij Boele-Matari verdienden, kwamen in de schuif van
37










den slimmen Heliopoulos bijeen. Bijzonder Kalikoni was op den betaal-
dag niet weg te slaan uit de store van den Griek.
Nu eens kocht hij een wit kostuum, zooals de blanken er een dragen,
dan een deken en een blikken koffertje, later weer eens een lederen gor-
del, een mes en een vork... Den laatsten tijd kocht hij roode en blauwe
panen, en als hij matabisch kreeg, going hij glazen parels halen : gele,
:blauwe, purperen kralen. Die sloot hij weg, en going ze nu en dan bekij-
ken gelijk een gierigaard zijn geld bekijkt.
De Griek vroeg veel te veel, gelijk onze marktvrouwen dat doen. Ka-
likoni stond dan wel een half uur af te bieden. Als hij het aan halven
prijs kreeg, was hij nog gefopt. Ik vond het niet school van Heliopou-
los, dat hij die arme drommels bedroog. Maar eens heeft Kalikoni hem
zelf beet gehad en daar heeft Sakania heel wat pret aan beleefd.
Hij stond vcl goesting te kijken naar een blauwen paan, die daar aan
den muur hing. En naar de bontgekleurde glazen kralen in de schuiven
v66r hem. Maar hij had geen geld meer.
< Heer Heliopoulos, schatten hebt gij, vele schatten 1 >
-- Ge hebt gekocht Kalikoni. Welnu, scheer u weg I >
Is de Heer niet bang dat er dieven binnen komen en de schatten
medenemen ?
Ik heb een goed geweer, man. Scheer u weg, march I >
Die hier binnenkomt, als gij buiten zijt, is machtiger dan gij, heer
Heliopoulos 1 I
< Wat zegt ge daar ? Komt hier iemand binnen ? Wie, wanneer,
waar ?
< Ja heer, en hij is machtiger dan gij. Uw geweer zal hem geen
kwaad doen. Hij opent de deur die op slot is, wanneer gij buiten zijt.
Elken dag, ja, elken dag. >
+ Wie is het, Kalikoni, zeg ? Neen, ga niet weg, vertel het eerst. .
<< Het is iemand uit het land van de witten. >
< Uit het land van de witten ? .
Het gezicht van Heliopoulos werd donker. Hij smeet zijn cigaret weg
en stampte er zenuwachtig op. In dien tijd zaten er in de bosschen veel
Engelsche roovers, vrijbuiters. Ze wisten dat de Griek geld had, en daar-
cm was hij bang. Ze durfden allies.
<< Zeg me wie het is 1 Zeg me zijn naam, mijn beste Kalikoni >
< O neen, dat doe ik niet, waarde heer !
< Dan krijgt ge roode kralen van me >
Er kwamen juist drie negers voorbij. Mijn boy riep hen :
8










afoeboe, Nzima, John, komt eens hier. Luister ee=s naar den heer
Heliopoulos. Krijg ik roode kralen, ja ?
-- Zeker, zeker.
En gele ook nog, ja ?... >
I Neen, neen L... wacht, ja, ook nog gele! >
< En dien blauwen paan ? ;
c Alle duivels, > schreeuwde de Griek, a zijt ge krankzinnig. Scheert
u weg, apen >
< Komt we gaan... > mompelde Kalikoni; ze gingen met hun vieren
naar de deur.
< Neen, blijf maar hier. Ge krijgt ook den schoonen blauwen paan.
Maar nu vertelt Kalikoni eerlijk wie hier binnen dringt, he ? Hoort ge
't Kafoeboe en Nzima en John ? Ge kent hemr toch goed, nietwaar, boy ?
< O Bwana, of ik hem ken. Hij heeft maar een oog en een groo-
ten baard, en hij heeft vele gezellen. Geef den paan en de kralen aan
Kafoeboe. Hewel, heer Heliopoulos, wie hier alle dagen binnenkomt is
uw sleutel I .
En Kalikoni op den loop met zijn makers.
Eerst stond de Griek te kijken als een kerstekind, maar dan school hij
in een geweldige woede en greep zijn geweer. Gelukkiglijk kwas just
de politiechef binnen.
Wat most die lachen om de grap van Kalikoni Hij had toch eerlijk
zijn paan verdiend. Want een sleutel is toch machtig : hij kan de deuren
openen, die in 't slot zitten. En met een geweer doet ge er niet veel te-
gen. En hij komt binnen als ge zelf nog buiten zijt. En hij komt uit het
land van de witten. Ook heeft hij maar een oog en een grooten baard.
En hij heeft vele gezellen.
c Ja, Heliopoulos, laat gij Kalikoni zijn paan maar houden, en wees
blij dat ge niet geschoten hebt.
De Griek most op den duur ook lachen, en beloofde bij zichzelf nooit
meer zoo woedend te worden.



Een avontuur bij Mokambo leverde Kalikoni zooveel op dat hij er
ineens boven op was. Terwijl we op gazellenjacht waren met twee Ita-
liaansche aannemers sprong achter onzen rug een luipaard uit een boom.
Hij vloog op een van de Italianen aan en haalde hem met een slag van zijn
vreeselijke klauwen de huid van den schedel, zoodat ze in flarden in den
39










4


Q0


((


'I"'
i


Hij vloog op een van de Italianen aan.


40


S/ Ck m










nek van het als neergedonderde slachtoffer viel. De tweede Italiaan ioste
een schot in de borst van het monster, dat ook hem bliksemsnel op het lijf
strong, hem de armen doorploegde en het aangezicht verminkte. Fluks
diende ik hem een paar ballen uit mijn buks toe. Ze troffen hem in den
kop. Maar schuimbekkend keerde hij zich naar mij en sprong als een
veer naar mijn keel. Hij kwam echter niet zoo ver, maar stortte op de
speer van Kalikoni. Ze going hem dwars door den romp en hij mauwde
voor de laatste maal. Zoo stierf het wreedste dier van Congo. Als bij
wonder genazen de Italianen en het regende matabisch voor Kalikoni.
<- Bwana, > zei hij nu, << ik wil trouwen. Kalikoni wil een mana-
moeke huwen. >
< Nkenge > zei ik.
< Natuurlijk, de witten weten alles >
En hij kocht een deel van een varken en twintig kiekens. Dan nam hij
zijn panen, kralen en een broodmes en going naar de breeders van Nken-
ge. Hij gaf hun het zwijnvleesch en de kippen. Mukono kreeg het brood-
mes. Dan hadden alien hun deel in panen en kralen. Nkenge kreeg na-
tuurlijk het meest. Daarna betaalde Kalikoni nog tien frank als huwe-
lijksgeld. Nu was hij gehuwd met Nkenge.
Ze bouwden een kleinen simbek in het bosch en voortaan had ik twee
boy's in plaats van een.
Daar het regenseizoen going komen, werkte de vrouw ook veel in 't
bosch. Ze hakte het gedeeltelijk om. Dan liet ze het eenigen tijd drogen.
Het-werd in brand gestoken en de asch bevruchtte de aarde. Nu kwam
de eerste regen, en daar werd gezaaid en geplant Mais en sorgho, boo-
nen en aardnootjes, maniokwortels en zoete patatten Gelukkiger men-
schen dan onze twee zwartjes warren er niet.



DE WRAAK VAN KWALE.

Half October De zes maanden zomer waren aangebroken. De ther-
mometer steeg met eenige graden. Nochtans was het meestal overtrok-
ken weer. Bijna iederen dag, tegen den middag, pakten zich aan den
gezichtseinder de wolken saam en bedekten op korten tijd den gan-
schen hemel. Dan voer een hevige rukwind door de bosschen en over
de savannen, de bliksem flakkerde over de duistere aarde, ratelende don-
41










dersiagen voigden mekaar snel op. Weldra stortte de regen neder, also
daar boven alle sluizen openstonden. De stortvloed baande zich schui-
mend een weg tusschen de woningen, holde de spoordijken nit en deed de
rivieren koken en overloopen. Bruggen werden weggeslagen, boomen uit-
gerukt, dieren meegesleurd. Plots eindigde het onweer, maar over het
land bleef een vochtige, warme damp hangen, die het zweet overvloedig
deed uitbreken en den adem beklemde. Het was zoowat als in een kvd-
kamer.
Dit weder deed als bij tooverslag overall groen ontspruiten. Wat dood
scheen, herleefde. Wat dor was droeg in weinige dagen weelderig loo-
ver en de nieuwe scheuten groeiden als komkommer. Op Kalikoni's veld
kiemde alles dat het plezier was om zien. Want de lucht was ook zoowat
als die van een broeikas.
Om verre tochten te maken was het weder echter niet geschikt, en
daarom waren we zeer verwonderd, dat Vernier weg was. Sincds een
viertal dagen was hij vertrokken met Kwale en dit zonder iets aan ie-
mand mee te deelen.
Dat Kwale hem vergezelde maakte me ongerust, want ik wist hoe hij
zijn meester haatte. Ook was ik er van overtuigd, dat Kalikoni er meer
van wist en ik besloot hem eens goed te ondervragen. Na een uur had
ik er nog niets uitgekregen. Toen zei ik :
-- Ik zal de politie halen, Kalikoni, en die zal u doen spreken !
O neen, Bwana, doe dat niet. Ik zal u alles zeggen. Kwale is uit
de savanne gekomen met een stuk kopererts. Hij is bij zijn heer gegaan
en heeft gezegd : Ziehier erts. Ik vond het in een beek. Het is losge-
spoeld uit de aarde.
Heer Vernier was zeer verheugd. Hij dacht : Daar ligt een koper-
mijn, en hij heeft gezegd : Kwale, wijs me de plaats, waar ge het hebt
gevonden. En zwijg als een visch, heeft hij gezegd, want hij wilde de
mijn voor zich houden... Dan zijn ze saam gegaan. ;
Waar heeft Kwale dat erts gevonden : in de aarde of op den trein.
Ge durft me niet bezien. Blik in mijn oogen. Welnu I
--c Op den trein... :
Dan heeft Kwale heer Vernier valschelijk in de wildernis gelokt.
Waarom heeft hij dat gedaan ? >
< Hij haat hem. Hij heeft veel slaag gekregen. >
< Hij heeft er veel verdiend. En gij wist alles, Kalikoni, en hebt
niets gezegd. Als er iets met Vernier gebeurt, is het mede uw schuld.
1Ge zijt zeer plichtig, foei ~
42










h Ik heb me daartegen verzet, Bwana. Maar hij wilde niet luisterei,
omdat het popje niet werkte. >
Welk popje ? >
< Onze toovenaar zei : Maak een ventje van klei. We zullen in
dat ventje den geest van den blanke roepen. Dan neemt ge het ergens
m 't geheim mee en ge rammelt het af met een stokje. De blanke zal dan
groote pijn gevoelen. Toch zal hij niet weten, hoe dat komt. Dat zei de
toovenaar. Nu, we maakten een beeldje en betooverden het. We rammel-
den het alle dagen af. Maar heer Vernier voelde niets. Want onze too-
venaars zijn niet machtig. En Kwale had een kleinen houten god. Hij
sloeg hem nagels in den buik, van woede omdat het beeldje niets deed.
En nog hielp het niet. Dan zei Kwale : Ik doe hem verdolen in de sa-
vanne, en ik vlucht verre weg... .
< Genoeg. Waar zijn ze gegaan ?
c Ik zal het u toonen, heer.
c Verwittig den politiechef, dat ik hem aanstonds kom opzoeken.
Marsch I >
Ik vlieg, Bwana.



Intusschen doolde Vernier gansch verlaten door de eindelooze hoog-
landen. Twee dagen had hij den wraakzuchtigen Kwale gevolgd langs
bosch en grasveld, waar geen mensch ooit kwam. Ten slotte wist de pros-
pector niet meer waar Sakania lag : hij was het spoor bijster. Maar hij
zou wel honderdmaal verder zijn gevolgd om de kopermijn te ontdekken
Want dan was hij schatrijk.
's Morgens van den derden dag bemerkte hij nergens zijn boy. Ook
zijn geweer en revolver waren verdwenen. Vernier begreep dat Kwale
hem had misleid en nu gevlucht was. Zonder wapens, haast zonder
voedsel, zonder te weten waarheen, stond hij daar nu in de schrikwek-
kende eenzaamheid. Overal loerde de dood op hem. Met sombere voor-
gevoelens in 't hart ondernam hij den terugtocht. Hij was een man van
ijzer en staal, en wilde er alles op zetten om zijn huid te redden.
Maar de wildernis weigerde haar offer te lossen. Daar was de hitte,
die hem het zweet sappelings over de huid deed stroomen, en hem over-
matig vermoeide. Daar waren de regenbuien, die als een zondvloed neer-
kletterden. Daar waren de wolken muggen, die hem gek maakten door
43










hun eeuwig gegons en hun venijnige steken. Daar waren de mieren, die
hem met hun scherpe kaken het vleesch stuk beten.
Soms kronkelde voor zijn vwet sissend een slang weg. Of een troep
brutale hyena's volgde hem op korten afstand. Ze voelden, dat Vernier
most sterven. Dan zouden ze op hem toespringen en hem verscheuren.
Met een knipmes in de hand vervolgde de ongelukkige zijn weg, immer
rechtdoor, rechtdoor. Hij hoopte eens een wegel te vinden. Eindelijk
kwam hij uit op een pad van een voet breedte, volgde het en verdoolde
nog verder.
En de hyena's lachten luid op een afschuwelijke manier. Daar volgde
rog iemand : dat was de Honger Zonder vuurwapens geen voedsel voor
den blanke Zonder voedsel een schrikkelijk lijden. Vernier verslond
grasscheuten en boombladeren. Ook de paddestoelen, die zoo groot zijn
als een brood, had hij willen eten, maar misschien waren ze giftig ? Eens
vond hij een patrijzennest vol eieren in 't gras. Huilend viel hij neer en
dronk ze uit. De aarde was hem ook vijandig. Vruchten als kokosnoten
of bananen groeien in Katanga niet. Immer meer kwelde hem de honger.
Spoedig zouden de hyena's hun maal hebben.
Wanneer de avond viel, werd het nog erger. Dan begon heel de wil-
dernis te leven. De gevleugelde mieren stegen op, de hyena's vervulden
de duisternis met hun lachend geluid, de jakhalzen keften, luipaarden
mauwden en over alles daverde het gebrul van den leeuw of ratelde de
donder. Dan vluchtte Vernier in een boom, en schrikte honderden krij-
schende apen op, die hem vermolmd hout en taken naar het hoofd wier-
pen. Half slapend, half wakend, dood van angst en vermoeienis hing hij
daar boven tot 's morgens. Weer hervatte hij hopeloos zijn weg.
Dat going zoo vier dagen aan een stuk. Toen kreeg de koorts hem te
pakken. Als een zinnelooze rende hij berg op, berg af. Soms viel hij,
zwaaide krankzinnig met zijn mes, en sukkelde weer op, met branden-
de oogen in zijn uitgemergeld gelaat.
Eindelijk stortte hij voor goed neer in een bosch. Op eenigen afstand
van hem gingen de hyena's op hun achterste zitten. Ze wachtten gedul-
dig tot de man dood zou zijn.
< God snikte Vernier, wat lijd ik Maar ik verdien het. Ik was
hard en onbarmhartig en hebzuchtig. Ik ben schuldig, Heer, maar schenk
me vergiffenis... o


44










Met Kalikoni als gids, was heel Sakania op zoek achter den vermiste.
Alle soldaten en politiemannen waren opgetrommeld. Ook togen vele
zwarte vrijwilligers mede in de hoop op matabisch. Wij reden met de
officieren per motorrijwiel v66rop, hier en daar sporen achterlatend, om
den weg aan te duiden. Ook vergezelde ons een bende rosse jachthon-
den. Na een halven dag vruchteloos zoeken ontdekten we de plaats waar
Kwale zijn meester zoo trouweloos had verlaten. Een groo-
te kring asch duidde de kampeerplaats aan. Nu ontstaken we op ver-


J4114 _


Eindelijk stortte hij voor goed neer..,
scheidene hoogten vuren van vochtig hout, zoodat dikke rookwolken op-
stegen om Vernier te waarschuwen. Van tijd tot tijd losten we geweer-
schoten. We leefden in bange afwachting. Was Vernier vermoord door
Kwale ? of verscheurd door de wilde dieren ? of verongelukt ? Kalikoni
was misschien nog het meest ongerust, want hij was mede schuldig aan
bet geval. Doch zijn berouw was zichtbaar gemeend.
Wanneer de inboorlingen waren aangekomen, werden ze in twintig
ploegen verdeeld. Elke ploeg kreeg een hond mee en trok in verschillen-
de richting de wildernis in.
45










Matthe was bij mij evenals Kalikoni. We waren ongeveer twee uren
ver van het kamp, toen plots mijn boy het geweer uit mijn handen rukte,
en een schot loste in het dichte gebladerte boven ons. Het was een mees-
terschot, want met een doffen plof sloeg een groote aap v66r onze voe-
ten neer. lets wits ontsnapte uit zijn handen en hoepelde eenige meter
verder.
We stonden paf van verbazing. Matthe riep : < Maar dat is de hoed
van Vernier 1 Die aap heeft hem gestolen Welnu, waar de hoed is...
i Daar kan de eigenaar niet ver af zijn > zei ik. t Bravo, Kalikoni
loopen nu, hoor I... 3
De hond mocht den hoed eens goed besnuffelen en rende als een haas
weg. Wij daarachter.
Weldra vonden we Vernier. De ongelukkige had zonder het te ver-
moeden vier dagen in een wijden kring geloopen. Zoo kwam het dat hij
niet ver van de kampeerplaats neergestort was.



Een paar weken later was de Luikenaar gansch hersteld. Hij was een
ander mensch geworden. Het lijden had hem zacht en menschlievend
gemaakt.
< Moest ik Kwale nog ooit ontmoeten, > zei hij, < ik zou hem geen
ruw word kunnen zeggen. >
< En Kalikoni ? > vroeg ik.
-- Hij heeft mij 't leven gered. Indien ik iets voor hem kan doen,
zal ik het niet late I
-- Welnu, ik vertrek binnen een maand naar Antwerpen. Neem hem
bij u als boy ?
Dat valt heerlijk. Ik zit nu immers zonder. Als hij er niets tegen
op heeft, gaat hij mee naar Elisabethstad. En nu moet ik u wat zeggen :
ik heb geleerd, dat de zwarten ook menschen zijn. Ze doen me denken
aan mahonieboomen. Van buiten zijn die ruw. Maar haal er de schors
af, zaag ze, schaaf en polijst ze, en ge maakt er de fijnste meubels mee .
t In Gods naam Ge gaat Kalikoni toch zeker niet wonder een
schaafmachine steken, zeker ? >
Toch wel, Ik ga hem en Nkenge naar een missiepost zenden. Daar
zullen ze gedoopt, beschaafd en gepolijst worden, en...


46









... eq zoo gebeurde het. Toen ik vertrok wist ik dat de wildeman uit
Kigeti in goede handen was. Ja, Kalikoni zou het ver brengen. Hij had
n. reeds zoo'n fine manieren. Ik ondervond dat nog te Kaapstad. Daar
nam ik een Engelsch schip voor Southampton. Wanneer ik voor de tol-
beambten mijn offers opende, vond ik er een aandenken van hem in : een
geldbeursje, dat hij geregen had van witte, bruine en zwarte kernen, en
eenige fijn gevlochten armbanden. Ge begrijpt van zelf, dat ik die nog
steeds zorgvuldig bewaar.


Welnu, had ik geen gelijk, wanneer ik beweerde dat ik ginds een
zwartje << met een gouden hartje > had ? En hoort ge ten slotte niet lie-
ver van zoo'n braven kameraad vertellen, dan van die wreede menschen-
eters ? Dat hoop ik in ieder geval voor u.






EINDE.


'47














BLADWIJZER



Kalikoni Biz. 5

Het uitstervende dorp 6

Kalikoni wordt stoker 12

Kalikoni verjaagt den leeuw 17

Uit het leven van de stokers 21

Kalikoni wordt huisknecht 23

De ontriggeling in de wildernis 26

Is Kalikoni wel eerlijk 32

Kalikoni trouwt 37

De wraak van Kwale 41


48




University of Florida Home Page
© 2004 - 2010 University of Florida George A. Smathers Libraries.
All rights reserved.

Acceptable Use, Copyright, and Disclaimer Statement
Last updated October 10, 2010 - - mvs